donderdag 27 augustus 2009

Als natte katten in Karachi
























We zaten elkaar over de tafel, in de eetzaal van het KLM Hotel 'Midway House' in Karachi, een beetje verveeld aan te kijken. Het inmiddels familiaire eten van het overbekende menu dat werd opgediend door de ons welbekende obers, werkte niet echt inspirerend voor goede gesprekken. Het licht was ook niet gezellig en sommigen hadden misschien tijdens de crewborrel een beetje teveel gedronken en wisten alleen nog maar onzin uit te kramen.

Ik had geen zin gehad om gelijk al na het eten naar bed te gaan of verder te drinken in de crewroom. Van mensen uit vorige bemanningen had ik wel eens verhalen gehoord dat ze 's nachts, bij volle maan, met de zeilboot van Kapitein Ali naar het strand van Sands Pit waren gevaren om daar te gaan kijken naar de duizenden zeeschildpadden, die om deze tijd van het jaar uit zee kwamen gekropen om eieren te leggen op het strand. Een zeer imposant gebeuren, dat je zeker moest gaan bekijken als je op de juiste nacht in Karachi was. Dus stelde ik aan mijn metgezellen aan tafel voor om een dergelijke tocht te gaan maken. Ze keken me allemaal, behalve één, lodderig aan. "Nu nog ? Was ik niet goed bij mijn hoofd ? " Dat was de algemene reactie. Die ene die wel belangstelling had was een knappe copiloot van de andere bemanning.

Na enig overleg besloten we, als de anderen geen zin hadden, maar met zijn tweeën te gaan. Hup, de taxi in en naar de haven gereden. Op de achterbank van de taxi maakten we wat nader kennis met elkaar.
Bij de haven aangekomen, waar het 's nachts net zo druk met liggende, lopende en bedelende figuren was als overdag, vonden we de boot van Kapitein Ali die kennelijk 24 uur per dag klaarlag, wachtend op avontuurlijk geïnclineerde KLM-ers.

Wij in de boot, ankers opgehaald, touwen los, zeilen gehesen en daar gleden we al de haven uit.. Knus gingen we dicht naast elkaar op de, met zachte kussens bedekte, bank zitten. We genoten volop, maar alsof er een duiveltje boven onze hoofden zat toe te kijken die het een beetje al te knus vond worden, begon het zachtjes te spetteren. Kapitein Ali wist daar wel raad mee, dus hesen hij en zijn maatje een stuk plastic boven onze hoofden, zodat we droog verder konden smoezen. Het duurde echter niet lang of het begon wat harder te spetteren en even daarna nog een beetje harder en toen kregen we zo'n hevige tropische bui over ons uitgestort, dat we geen hand meer voor ogen zagen. Dat zou ons leren. Romantisch? Ha...! Daar had zelfs Kapitein Ali geen antwoord meer op en stuurde zijn boot naar de pier van het dorpje waar we altijd de vissenkoppen kochten als we krabbetjes gingen vangen.
Hij vond het beter dat we gingen schuilen in een lokale kroeg. Wij van boord. Er stond al zoveel water op de kade, dat je geen grond meer onder je voeten zag. Eng ! Maar het was nog veel enger in de kroeg. Daar zaten woest en primitief uitziende mannen, die bij olielampjes onduidelijke drankjes zaten te drinken. Ik hoopte maar dat de copiloot, Ali en zijn maat afdoende bescherming boden, want zoals mijn doordrenkte kleding aan mijn lichaam vastplakte moet ik voor deze mannen een aanblik zijn geweest waarvan ze dachten dat ze die alleen maar te zien zouden krijgen als ze als martelaar zouden sterven. Ali beval ons de lokaal gestookte whisky aan, maar omdat we bang waren blind te worden, kozen we voor thee die, naar we hoopten, door het gekookte water veiliger was voor onze gezondheid.

Na een paar uur eindeloos theedrinken was de tropische storm voorbij en konden we ontsnappen aan de starende blikken van de Pakistani. We waadden terug naar de boot en besloten dat het beter was om terug te gaan naar het hotel om ons op te drogen. Arme kapitein Ali, hij moest een motorboot huren om ons terug te trekken naar de haven van Karachi.

De volgende morgen werd ik verkouden wakker. Het duiveltje kon alsnog tevreden zijn.
Hij was echter wel te laat geweest om dit unieke avontuur van ons af te nemen.



zaterdag 15 augustus 2009

Groupie

Laten we haar maar Michelle noemen, want ze was tenslotte een fervente fan van de Beatles.

Het was haar laatste reis als stewardess voor de KLM, en ze wilde graag nog een keer naar het Verre Oosten: Amsterdam-Dubai-Bangkok-Singapore-Karachi-Kuweit-Amsterdam.
Ik was opgeroepen als standby-stewardess omdat er op het laatste moment iemand ziek was geworden en verzeilde zodoende in een crew die wel in was voor een feestje.















Jammer, dat het cockpitcrew-schema niet synchroon liep met het onze, maar gelukkig bestond de cabinebemanning uit een aantal leuke en sympathieke mensen, die wel bereid waren haar een onvergetelijke laatste reis te bezorgen.

Gedurende die reis praatte ik veel met Michelle want ik was bijzonder geïnteresseerd in de vraag, waarom ze, juist nu het 5-jaarscontract werd afgeschaft en zij tot haar pensioen door kon vliegen, met ontslag ging. Haar verklaring verbaasde me een beetje. Ze zei dat ze het vliegen zó fijn vond dat ze bang was geworden er verslaafd aan te zullen raken en daarom hield ze er maar mee op. Daar begreep ik niets van: het was toch fantastisch als je gelukkig was met je baan? Hierbij dacht ik aan mensen die aan de lopende band moesten werken of aan diegenen die veertig jaar lang als ambtenaren achter een bureau doorbrachten en werk verrichten waar ze geen enkele binding mee konden voelen.
Ze legde me uit, dat ze dacht dat ze aanleg had voor verslaving omdat ze sinds haar tienerjaren verslaafd was geweest aan, of een popgroep, of aan een sportheld, en dat het haar alleen maar teleurstellingen had opgeleverd.

Het was allemaal begonnen met de Beatles, die in 1964 voor de eerste keer naar Nederland waren gekomen. Ze was helemaal hoteldebotel van die vier jongens geweest, die als hoogtepunt van hun verblijf in Amsterdam een grachtentoer hadden gemaakt. Zij was toen één van die fans geweest die, op het moment dat de boot onder een brug doorvoer, in het water was gesprongen om hun aandacht te trekken. 's Avonds tijdens hun concert had ze zo hard gegild dat ze van pure hysterie flauw was gevallen en door de EHBO-assistenten uit de zaal moest worden gedragen.

















Een paar jaar later was er in Nederland een andere hype ontstaan, deze keer rond twee bijzondere schaatstalenten: Ard (Schenk) en Keessie ( Verkerk). Ze had op slag de Beatles vergeten, want ze was nu verliefd op Ard. Ze heeft hem jarenlang, als een echte groupie, overal naar toe gevolgd. Zij was echter niet de enige en de concurrentie onder de meiden was moordend geweest. Maar uiteindelijk was het haar één keer, ergens in Noorwegen, gelukt om zijn aandacht te trekken. Ze was toen helemaal in de zevende hemel geweest. Helaas had hij daarna geen belangstelling mee voor haar getoond en beantwoordde de brieven, die ze hem stuurde, niet. Ze had werkelijk van alles geprobeerd: hem opbellen en bij nacht en ontij urenlang voor zijn huis staan om te proberen een glimp van hem op te vangen. Soms, als ze geluk had, zag ze zijn schim acher de gordijnen bewegen. In een uiterste poging heeft ze toen een keer aangebeld. Hij had haar binnen gelaten en haar vriendelijk maar duidelijk gezegd dat hij geen interesse had. Bovendien had hij, aan boord bij de KLM een stewardess, de Brabantse Christine Schermeij ontmoet, waar hij zich nu mee ging verloven.
Dat was voor alle groupies een harde slag geweest, maar het had wel als gevolg gehad dat zij toen besloten had om bij de KLM te gaan solliciteren.

Ze had het vliegen heerlijk gevonden. Je ging naar de prachtigste oorden met (meestal) aardige collega's en je kreeg nog geld toe ook. Maar ze vond het mooi geweest, ze moest eindelijk maar eens serieus werk gaan maken van haar leven. Ze wilde een nieuwe start, zonder al die verleidingen.
























Na op iedere slipplaats een klein feestje te hebben gebouwd, kwamen we op Schiphol aan met nog steeds een brede grijns op ons gezicht. Zelfs de douanecontrole kon ons goede humeur niet verpesten.
De purser overhandigde Michelle, namens de bemanning, de bloemen en cadeaus en we wensten haar allemaal het beste voor de toekomst.
Toen gingen we ieder ons weegs.

zaterdag 8 augustus 2009

Gekke Jongens

Tijdens de vijf jaren van 1973 tot 1978, die ik als standby-stewardess heb gevlogen hadden er nogal veel veranderingen plaatsgevonden. Eén daarvan was dat het vijfjaarscontract voor stewardessen, in het kader van de emancipatie, werd afgeschaft en zij dus, net als de mannen van het 'kernkorps', carrière konden gaan maken. Er was nog heel wat gedoe ( rechtszaak) over de beloning van de nieuwe vrouwelijke assistent-pursers en pursers, maar toen dat was opgelost kwam de KLM met een geheel andere CAO voor nieuw aan te nemen cabinepersoneel. Er waren nu een aantal vrouwen, de zgn. 'Bouma-groep' die onder de oude' kernkorps'-regeling vielen, en alle anderen niet.
Het doorvliegen van de stewardessen hield logischerwijze in dat de maximum leeftijd van 34 jaar werd afgeschaft. Dat kwam voor mij toen precies op tijd.
Op 1 nov. 1978, ruim tien en een half jaar na mijn eerste vijfjaarscontract, tekende ik voor een tweede, met dien verstande dat ik weer onder aan de ladder moest beginnnen ( ik mocht niet langs 'af' en ik ontving geen fl. 200,- om het maar te vergelijken met het Monopoly-spel).

Een andere verandering was dat, na lange tijd, er ook weer mannelijk cabinepersoneel werd aangenomen. De baan van hofmeester zou uitsterven en de opengevallen plaatsen werden voortaan ingenomen door een zgn. pantry-steward(ess), een stap in je loopbaan als c(abin) a(ttendant).
Vol nieuwsgierigheid bekeken we de nieuwe stewards. Wat een opwinding om al die jonge kerels (! ?) te zien. Sinds de hofmeesters-kort verband verdwenen waren was ik gewend geraakt aan mannen die minimaal 7 jaar ouder waren dan ik, de meesten zelfs zo'n 12 à 13 jaar als het niet nog meer was, maar nu werkten we ineens met mannen die jonger waren! En wat voor types !
Op het bemanningencentrum werd al gauw geroddeld over een Belgische steward die altijd zijn 'beautycase' bij zich had en zeer nauw bevriend was met een (ook Belgische) collega die er uit zag als een fotomodel. Dan waren er weer anderen die van de Hotelschool uit Maastricht kwamen, aangevuld met oud-hofmeesters, die na hun 3-jaarscontract bij de KLM in dienst waren gebleven in een andere functie, en nu weer, samen met nog wat oud-stewardessen waaronder ik, terugkeerden bij het cabinepersoneel.

Zo gebeurde het dat ik in 1978 op een Verre Oosten reis ging met een 'jonge'crew. Aan boord was het een dolle boel, want hun fantasie kende geen grenzen en ze bedachten allerlei gekke scenario's om de eindeloze nachten door te komen, die anders meestal nogal slaapverwekkend verliepen. Ik werkte samen met Martin en waarom ik op de foto sta, met zijn ochtendjas om ons beiden heen gesjord en een keukenrol op het serveerplateautje weet ik niet meer, maar we hebben duidelijk de slappe lach dus zal er wel iets pikants door de anderen zijn gesuggereerd.
























Op iedere stop, in Dubai ( Club 58), Singapore en Karachi, gingen we naar de discotheek en voor het eerst zag ik stewardessen die door stewards de lucht in werden gegooid en na het opvangen tussen de benen door werden gehaald. Het deed me denken aan de film 'Flying High' waarin ook een dergelijke scene, waar ik vreselijk om heb moeten lachen, voorkomt. Ik herinner me dat vooral een nummer van Boney M. : 'The rivers of Babylon' heel populair was. Als dat nummer werd gespeeld kregen we een prachtige performance te zien van Gert Jan en Evelien. Gert Jan kon overigens ook een prachtige imitatie geven van John Travolta.

De verjonging bij de cabinebemanningen ging gelijk op met die van de cockpitcrews en vanaf die tijd veranderde ook langzamerhand de 'cultuur' binnen de bemanningen.
Maar zo gaat het nu eenmaal : oude gekke jongens worden opgevolgd door jonge gekke jongens.


maandag 3 augustus 2009

Coca Cola



















"Good evening, sir, goedenavond mevrouw, alstublieft hier rechtsaf, of linksaf, of door de pantry en dan rechtsaf." Deze instructies herhaalde ik tot uit den treure, na het checken van de stoelnummers op de mij getoonde instapkaarten.
We waren aan het 'boarden' in Toronto en ik stond een lange tijd bij deur 12 van de B747, want we hadden een volle bak. Er leek maar geen eind aan het aantal passagiers te komen, maar uiteindelijk zaten ze er dan allemaal in.
Nèt voordat de deur dicht zou gaan, kwam een grondstewardess door de slurf aanhollen en vertelde me, buiten adem, dat we de meneer op seat 28B, die alleen reisde, absoluut geen coca cola mochten serveren.
"Waarom niet ?" vroeg ik. "
"Dat weet ik niet, maar zijn familie drukte ons zojuist op het hart, dat we het vooral niet moesten vergeten dat tegen jullie te zeggen. "
"OK, bedankt."
Nu zat die meneer in mijn gedeelte, dus dat was makkelijk te onthouden. Ik zei het tegen mijn maatje en dat was dat.
Na de start gingen we de cabine in met de drankjes en ik vroeg de man op 28B wat hij wilde drinken. Hij was in de veertig, schatte ik, en zag er niet al te snugger uit.
"Coca cola, graag", antwoordde hij.
Ik zei hem dat ik dat niet aan hem mocht serveren, maar of hij iets anders wilde drinken ? Hij keek me kwaad aan en zei dat hij niets anders lustte. Tja, dan maar niets.
Tijdens het uitdelen van de maaltijd, vroeg ik wederom wat hij wilde drinken.
" Coca cola, " klonk het weer.
Ik gaf hem met een uitgestreken gezicht een glaasje water en ging verder.
We wilden net met de koffie de cabine ingaan, toen we een enorm kabaal hoorden.
Passagiers waren opgestaan, mensen belden en ik zag van alles door de lucht vliegen. Bij de oorzaak van de commotie aangekomen zag ik dat meneer 28B, schuimbekkend, half onderuit in zijn stoel, wild om zich heen lag te slaan en te schoppen. De man, die naast hem aan het gangpad had gezeten had weg kunnen komen, maar die arme vrouw bij het raam kreeg de volle laag. De plateaus lagen met inhoud en al over de grond en de spaghetti met tomatensaus en de roompuddinkjes drupten langs de stoelleuningen naar beneden.
Ik herkende de situatie meteen want ik had het al eens eerder meegemaakt: hij had een epileptische aanval. Wat waren de voorschriften ook alweer ? Een lepel tussen de tanden doen, zodat hij zijn tong niet in stukken kon bijten. Lepels waren er genoeg, maar hoe kwam ik dichtbij ? Bovendien leek het me al veel te laat. De purser was ondertussen op het lawaai afgekomen en enkele medici hadden zich ook al gemeld. Toen de man weer een beetje bij zijn positieven kwam, leek het ons het beste dat hij daar tussen die twee onschuldige passagiers werd weg gehaald, maar waarheen, want de kist zat werkelijk propvol. We besloten hem op de Crewrest Seats te plaatsen, die naast de pantries voorin het vliegtuig waren gelegen. Hij zat daar net, toen hij al weer een volgende toeval kreeg en dat zou zo de hele nacht door blijven gaan. Ertussen door was hij enorm suf en moe en vroeg om coca cola, die wij hem echter niet gaven.
Vlak voordat we het ontbijt zouden gaan serveren kwam een stewardess, die helemaal achterin het vliegtuig werkte, even naar voren om iets te komen halen en ze zag de man op onze rust- stoelen zitten.
"Hé," zei ze, "wat is er met hèm aan de hand? "
"Och, hij heeft wat last van epileptische aanvallen en hij was niet te handhaven tussen twee vreemde passagiers in."
"Ik vond al, toen hij bij mij in de pantry kwam, dat hij een beetje raar deed."
"Wat? Was hij bij jou achterin? Wat had hij daar te zoeken? "
"Hij zei, dat jullie het veel te druk hadden en of we hem een glaasje coca cola konden geven, want hij had zo'n vreselijke dorst."
Er ging gelijk een lichtje bij me op. Dàt was het dus geweest wat de familie verzuimd had te vertellen : coca cola veroorzaakte bij hem epileptische aanvallen!
Ze hadden natuurlijk van tevoren geweten dat, als ze bij het boeken van zijn vlucht hadden vermeld dat hij een zware epilepticus was, iedere maatschappij hem als passagier zou weigeren ( misschien was dat al gebeurd en wilden ze per se van hem af) dus hadden ze hem op deze slinkse manier aan boord van een vliegtuig weten te smokkelen. En wij zaten met 'de gebakken peren' en die twee arme mensen waar hij tussenin had gezeten.

Of hij ooit nog eens heeft kunnen vliegen, met ons of met een andere maatschappij, betwijfel ik.


woensdag 29 juli 2009

Route-relatie

Het was twee uur 's nachts en A2 en ik zaten nog in de zwoele Portugese zomernacht buiten op een terrasje te genieten. We hadden eigenlijk allang moeten gaan slapen maar in plaats daarvan hadden we nog een fles wijn besteld.
We haalden herinneringen op aan de vorige keren dat we elkaar ergens ter wereld waren tegengekomen.

















Naar de eerste keer toen we in New York in Jimmy's Bar gedanst hadden op 'My Way' van Frank Sinatra en daarna nog naar Dance Hall 'Cheetah' waren gegaan. De volgende dag hadden we, in de zon, op het grote grasveld van het Central Park gelegen en naar de New Yorkers om ons heen gekeken.

Een andere keer in Montreal, waar we logeerden in dat saaie Holiday Inn motel ' La Seigneurie', dat ergens in een industriegebied tussen snelwegen ingeklemd lag. Het bestond uit één hele lange gang met aan weerszijden deuren. Wij stewardessen zaten meestal helemaal aan het eind. Toen had hij me laten zien hoe je kon voorspellen hoeveel kinderen je kreeg en of het jongetjes of meisjes zouden worden. Je rukte gewoon een haar uit je hoofd en daar reeg je dan je trouwring aan. Je moest daarna de uiteinden van de haar doodstil tussen duim en wijsvinger houden en als de ring ging draaien kreeg je een jongetje en als hij heen en weer ging pendelen dan kreeg je een meisje. Ik vond het allemaal maar grote onzin maar had toch braaf de test gedaan. De ring bewoog niet !!! Ik had het je toch gezegd ? : "Ik wil helemaal geen kinderen. Ik vind het veel te leuk zonder !"

Tijdens mijn stationering in Tokyo hadden we elkaar een paar keer gezien. De laatste keer was ik 's morgens vroeg uit Bangkok aangekomen en ging hij een paar uur later naar Anchorage. Door het raam had de opkomende zon door de Tokyo Tower heen naar binnen geschenen. Slaperig had ik geluisterd naar het grappige verhaal van die keer toen hij ontdekt had dat zijn jongste zoontje aan een kettinkje om zijn hals, een héél klein sleuteltje droeg. Dat sleuteltje had A2 een keer, zonder dat ik het gemerkt had, van mijn BH af gesloopt en in zijn portemonnee verstopt. Nu wist hij dat zijn zoontje in zijn portemonnee moest zijn geweest maar hij had er uiteraard niets van kunnen zeggen.We hadden er een beetje om moeten grinniken. O,o,o..., zo vader, zo zoon!
























Daarna hadden we elkaar in Bombay ontmoet, waar we een middag hadden doorgebracht op een terras met uitzicht over een leeg strand. Het enige wat voorbij was gekomen was een kudde geiten geweest.



















Daarna die keer in de winter, toen we voor een nachtstop naar Athene waren gestuurd.
's Avonds waren we naar de Plaka gelopen om lekker te gaan eten en hadden ontdekt dat we allebei dol waren op garnalen met knoflook, héél véél knoflook. Met natuurlijk zo'n kilo Retsina erbij. Wat hadden we genoten, maar de volgende morgen toen we aan boord waren gekomen, waren de collega's demonstratief achteruit gedeinsd. De knoflookwalm, nog versterkt door de wijn die we hadden gedronken, was niet om te harden geweest. Ik werd verbannen naar achteren, naar de economy class, hoewel ik denk dat de zweetvoetenlucht en de geur van krèteks de knoflookluchten aardig neutraliseerden. Samenzweerderig hadden we, over de drankenkar heen, naar elkaar geglimlacht.
Het had zoiets betekend als: "Voel jij je ook zo katterig ?"
"Jawel, maar ik had niets ervan willen missen."
"Nee, ik ook niet !"
Tenslotte was het maar een paar uur vliegen naar Amsterdam, dat redden we nog wel.

Dan die winterzondag in New York. Onder het vertrouwde geluid van de sirenes lagen we naar de loodgrijze lucht te kijken en zagen grote sneeuwvlokken dwarrelend aan het hotelraam voorbij zweven. Zo nu en dan bleven er een paar vlokken aan het raam kleven om daarna zachtjes naar beneden te glijden. We hadden geen zin gehad om op te staan, hoewel het na calling time natuurlijk onvermijdelijk was. Daarna waren we, voordat de 'teckel-limousine' ons zou komen oppikken, nog gauw even door de sneeuw naar de tent naast het hotel gegaan om een broodje pastrami te eten met zo'n kop van die waterige koffie erbij.

Nu waren we dus in Lissabon, niet met dezelfde vlucht maar we waren die avond, bij toeval, tegen elkaar opgelopen in de lift van het Sheraton Hotel.
We hadden een restaurant gezocht en hadden op de Avenida da Liberdade een grote eettent gevonden met van die ongezellige neonlichten, maar het zat er wel tjokvol met alleen maar 'lokalen', er was geen toerist te bekennen. Wij waren naar binnen gegaan en hadden geluk gehad dat er gelijk een tafeltje vrij was gekomen. We bestelden de 'camarao ao alho' met een fles droge Vinho Verde, en veel vers stokbrood erbij om ermee in de kokendhete bubbelende olijfolie, waartussen de garnalen gemengd met hele tenen knoflook en chili's dreven, te 'dopen'. Na de eerste portie hadden we nog een tweede besteld. Vurrukkulluk !

Ik kon die dag uitslapen, maar hij had een paar uur later alweer calling time gehad.
Later hoorde ik, dat hij algemeen door zijn crew was gemeden vanwege de knoflookgeuren, maar dat hij niets van die avond had willen missen.
Nee, ik ook niet !

Jerry verloofd, Jerry verliefd. Een soap opera.



















Er waren eens twee mannen, die allebei Jerry heetten.
Ze waren tegelijkertijd aan de Rijks Luchtvaart School afgestudeerd en daarna als copiloot op de Fokker Friendship te werk gesteld. Als iemand met Jerry moest vliegen was de logische vraag: met welke Jerry dan?
De ene Jerry was berucht omdat hij, al tijdens de opleiding, tegen iedereen die het maar horen wilde uitweidde over de fantastische kwaliteiten van zijn verloofde Afke. Geen enkele vrouw ter wereld kon aan haar tippen, want ze was de mooiste, slimste, intelligentste, nou ja... enzovoort en zo verder, en nog veel meer van die superlatieven. Iedereen werd er helemaal tureluurs van, dus werd hij al snel tot 'Jerry verloofd' omgedoopt.
De andere Jerry was wat stil, maar het duurde niet lang tot zijn collega's in de gaten kregen dat hij wel heel veel aandacht besteedde aan Blanca, een mooie slanke stewardess. Zoals hij naar haar keek...! Ja, die was duidelijk smoorverliefd. Zo kreeg hij de bijnaam: 'Jerry verliefd'.
Blanca was echter verliefd op Philip, een student in de archeologie, en als hij afstudeerde was ze van plan met hem te gaan trouwen en te stoppen met vliegen.
Zo vlogen ze een paar jaar rond op die Friendship en 'Jerry verloofd' trouwde met zijn Afke en samen kregen ze binnen de kortste keren twee kinderen, Jerry junior en Jeltje. Helaas werd 'Jerry verloofd' steeds minder gelukkig. Afke had het zo druk gekregen met de luiers en de flessen, de was, de boodschappen, het koken, het schoonmaken, etc. dat ze geen tijd meer had om voor zichzelf te zorgen. Ze maakte zich niet leuk meer op, haar nagels bleven ongelakt en ze liep nog steeds rond in haar positiekleding.
Op een goede dag vloog 'Jerry verloofd' met Blanca en ineens wist hij, alsof hij een goddelijke ingeving had gekregen, dat zìj de vrouw van zijn leven was. Ze was de mooiste, slimste, interessantste etc. vrouw die op deze aarde rondliep . Zij was zijn toekomstige vrouw, dat wist hij zeker.
Blanca was echter nog steeds verliefd op Philip en wilde niets van hem weten.
De twee Jerry's en Blanca waren ondertussen van de Friendship verhuisd naar andere type vliegtuigen. 'Jerry verloofd' ging naar de DC 8, 'Jerry verliefd' naar de B747 en Blanca ging ICA vliegen.
Ondertussen lag 'Jerry verloofd' in de scheiding en huurde een flatje. Hij troostte zich zolang met een losvaste, vastlosse en een losse vriendin, die hem voorzagen van de broodnodige afleiding, en zo...Als hij zijn kinderen ging opzoeken maakte hij ruzie met Afke, die niets meer van hem begreep, zeker niet dat van die harem.
Philip studeerde af en hij en Blanca trouwden kort daarna. 'Jerry verloofd' had een uitnodiging gekregen voor de receptie en reed in zijn auto naar de plek van actie. Onderweg moest hij een spoorwegovergang passeren met van die halve bomen ervoor. Net toen hij aan kwam rijden ging het rode licht knipperen en begonnen de bomen langzaam te dalen. Hij overwoog om razendsnel onder die bomen door te rijden en op de rails te gaan staan, maar hij aarzelde te lang en zzoooeeeffff...de trein was al voorbij. Het was toen alsof een zware last van zijn schouders viel: het was over, hij was niet meer verliefd !
Hij kwam de zaal binnen waar Blanca en Philip het stralende middelpunt vormden. Hij keek naar ze en besloot om ze niet te gaan feliciteren. Hij draaide zich om en verdween.
Blanca had ontslag genomen en ging met haar Philip naar Afrika waar hij werk had gekregen.
'Jerry verloofd' vloog een week later met stewardess Liesje, die zijn aandacht trok. Zij had alles waar hij naar op zoek was: ze was de mooiste, slimste, interessantste vrouw, etc. die hij ooit gezien had en als ze wilde dan zou zij zijn enige vaste vriendin worden en later de moeder van de rest van zijn kinderen.
Na een half jaar kwam Blanca huilend terug uit Afrika. Het bleek dat Philip al haar spaarcentjes er doorheen had gejaagd met zijn vaste vriend. Ze stortte zich in de armen van 'Jerry verliefd', die al die tijd rustig aan de zijlijn had staan wachten. Ze was niet slank meer, want zij had geprobeerd haar verdriet weg te eten, maar dat maakte hem niets uit.
En zo kwam het dat ' Jerry verloofd' verliefd was en 'Jerry verliefd' verloofd.
Eind goed , al goed.
En ze leefden nog lang en gelukkig (?)

donderdag 16 juli 2009

Aurora Borealis

Ik weet nog dat het in de winter was en we op een nachtvlucht zaten van Montreal naar Amsterdam.
Met een zwaar plateau in mijn handen, waar het eten voor de captain op stond, kwam ik de cockpit binnen. Ik overhandigde het hem en draaide me om om weer terug naar de pantry te lopen.
"Heb je even tijd ?" hoorde ik hem zeggen.
"Jawel, waarom ?"
"Dan moet je even op de stoel achter me gaan zitten en naar buiten kijken.
Wat zou er in het donker te zien zijn ? Nieuwsgierig ging ik zitten en keek door het grote raam. Wat ik toen zag zal ik nooit meer vergeten. Grote cascaden van licht stroomden uit de hemel en vormden gordijnen, die heen en weer golfden alsof er een harde wind door het heelal blies. Ze veranderden constant van plaats alsof ze open en dicht werden geschoven, of naar beneden en daarna weer naar boven werden opgehaald.
"Weet je wat dat is ? " vroeg hij, en zonder mijn antwoord af te wachten :"dat is de 'aurora borealis' oftewel 'het noorderlicht'."
Ik had er wel eens iets over gelezen, maar het nog nooit gezien. Ik kreeg een heel vreemd gevoel terwijl ik naar dit natuurverschijnsel zat te kijken, een gevoel dat moeilijk te omschrijven valt. Sommigen hebben het over een 'oceanisch gevoel', of een 'gevoel van totaliteit' . Maarten 't Hart beschreef het in één van zijn essays, in het gelijknamige boek, als 'een eeuwig moment'. Al die beschrijvingen lijken me dicht in de buurt te komen : het gevoel alsof ik even één was met het universum,waarin tijd niet bestaat; beter kan ik het niet uitdrukken. Ik begreep nu ook waar Tristan Jones het in zijn boek "ICE" over had gehad, als hij zìjn beschrijving van dit fenomeen geeft, toen hij met zijn kleine houten bootje in een ijsschots zat vastgevroren, ergens op zee binnen de Noordpoolcirkel.
"I wandered out on the ice and watched the northern lights shining through the ice of the piled up floes. A wondrous sight to behold. The great streaks of pure power and energy streaming across the night, right across the star-laden, blue velvet sky of the Arctic is a vision which still comes into my mind every time I hear someone talk of miracles."

















Terwijl de Grote Beer steeg zou ik nog enige malen terugkeren naar die stoel, om vervuld van verwondering naar dit natuurverschijnsel te kijken.

zondag 12 juli 2009

Zand, Zonde en Zeelichtjes.

Toen ik uitcheckte keek Sheikh Saqr Bin Mohammed-al Quasimi me streng aan vanuit zijn portret dat boven de receptiebalie van het Carlton Beach Hotel in Sharjah, één van de staatjes binnen de Verenigde Arabische Emiraten, hing.
Hij droeg een hoofddoek, had een grote haakneus en zijn ogen stonden een beetje te dicht bij elkaar. Na enige contemplatie vond ik dat hij er eigenlijk meer uitzag als een piratenkapitein, op een schip van de woestijn dan natuurlijk. Ik zou hem zeker niet graag 's nachts ergens tegen willen komen vooral niet omdat hij hier de baas was. En zolang wij in zijn staatje verbleven, was zijn wil wet.


Wat een oord. Wie had deze speciale kwelling voor ons uitgedacht ? We zaten in bungalowtjes, ver van de bewoonde wereld middenin een woestijn aan een strand, dat vol lag met teer vanwege de voorbij varende olietankers. Voor een strandwandeling was het sowieso te heet of te koud, naar gelang het jaargetijde, en eindigde bovendien altijd met een poetsfestijn om de teer van je voeten proberen te verwijderen.























Maar goed, toen ik hier twee dagen geleden, na aankomst uit AMS, wakker was geworden was het zondagmiddag geweest. Waar, o waar henen. Het restaurant was dicht, maar aan het zwembad kon je wèl wat te eten en drinken bestellen. In godsnaam dan maar naar het zwembad, in decent badpak om de aanwezige sheikhs met hun witte jurken, roodwitgeblokte hoofddoeken en bidkralen wriemelende handen, niet te veel in verleiding te brengen. Met interesse keek ik naar hun vele echtgenotes die zwaar gesluierd en in keurige pikorde om hen heen geschaard zaten en hun al even talrijke kroost dat in bedwang moest worden gehouden door Philippijnse kindermeisjes. Zo zaten zij met zijn allen op een rij naar de aanwezige crewleden te staren en wij staarden terug. Zo nu en dan schoof, als enig vertier, een roestige tanker door het decor. God, wat was het heet en vochtig geweest, maar vooral saai want we konden niet eens een biertje bestellen; dat mocht niet van Saqr, alcohol was streng verboden.
























Gelukkig hadden we 's avonds tijdens de crewborrel enige, het land binnengesmokkelde, alcoholische drankjes tot ons kunnen nemen. Na het eten was het nog véél te vroeg geweest om al naar bed te gaan, dus togen zes bemanningsleden, drie mannen en drie vrouwen, naar de bovenste verdieping van het hotel waar een Libanees bandje speelde, om wat te gaan dansen.
Ver na middernacht waren we moegedanst en bezweet teruggesjokt naar onze bungalowtjes, nog nalachend over het feit, dat één van de vele aanwezige mannen met een jurk aan, de captain had benaderd en $100,- had geboden als ik vijf minuten( sic) met hem meeging.
"Hé, jongens, zullen we nog even in zee gaan zwemmen ?" vroeg de Co. We liepen over het strand naar de rand van de Arabische Zee. We vonden het wel een aanlokkelijk idee.
"Zonder of met ( zwemtenue) ? " Nou, zonder natuurlijk. Hup alles uit en plons, daar lagen we al in het lauwe zeewater te spartelen. Toch zat het me niet helemaal lekker, want ik had een waarschuwing gelezen dat er haaien en giftige slangetjes in de kustwateren rondzwemmen, dus ging ik er gauw weer uit.
Een bewonderend gefluit steeg op uit het water. Ik dacht nog: "Nou moeten jullie niet overdrijven", tot ik het zelf ook zag; mijn hele huid was bedekt met blauwe fluorescerende lichtjes. De anderen kwamen nu ook het water uit en we keken verwonderd naar elkaars lichtjes die geheimzinnig op allerlei lichaamsdelen gloeiden. Bij nadere inspectie van de branding zagen we overal diezelfde blauwe lichtjes dansen. Wat was dat voor een vreemd verschijnsel ? De captain zei dat hij dacht dat het lichtgevende algen waren en dat het licht bedoeld was om vissen af te schrikken, of zoiets. Toen de lichtjes op onze lichamen uitgedoofd waren en de betovering was verbroken, zochten we onze douches en bedden op.

Ik betaalde mijn rekening en liep met de bemanning mee naar buiten, waar de crewbus al klaarstond om ons naar het vliegveld te brengen voor onze vlucht naar BKK.
Ik keek nog even om naar het portret van de sheikh om afscheid van hem te nemen. Het was maar goed dat hij niets gemerkt had van het feit dat wij zijn geboden :"Gij zult geen alcohol drinken" en: "Gij zult niet naaktzemmen" plus : "Het is vrouwen streng verboden zich ontkleed aan een andere man dan hun echtgenoot te tonen" op grove wijze hadden overtreden. Gelukkig waren we daarmee waarschijnlijk aan een strenge straf, zoals geseling of steniging, ontsnapt.

"Ma' assalama Saqr, zand erover, het ga U goed! Moge de woestijn U weder tot toevlucht dienen als Uw oliebronnen zijn opgedroogd!"







zaterdag 20 juni 2009

Acht stessen op stap. Een week in L.A.

"Aaaaah..."we gilden het uit terwijl we over de achtbaan voortraasden. Ik was doodsbenauwd dat mijn lange haren die als een waaier achter mij aan wapperden, ergens vast zouden blijven haken, maar ik kon niets doen want we zaten vastgegespt in de gondel die als een razende omhoog en omlaag suisde, door tunnels en bochten scheurde, rotspartijen en de spitsen van torens omzeilde. In ieder geval genoeg om het adrenalinegehalte in ons bloed tot gevaarlijke hoogten te laten stijgen. Ik had eigenlijk een beetje tegenzin gehad maar had me uiteindelijk laten ompraten door mijn collega's die me ervan overtuigden dat dit het hoogtepunt van ons bezoek aan Disneyland zou gaan worden. Toen we weer geland waren wist ik het zeker : een achtbaan/rollercoaster? Daar ga ik nóóit meer in !

Het was trouwens niet de eerste keer, die week, dat we het uitgegild hadden. Gelijk de eerste dag al, toen we met zijn achten er met twee auto's op uit waren getrokken hadden we tijdens een rondrit met een treintje over het terrein van de Universal Studio's de schrik van ons leven gekregen toen we via een overdekte brug over een meertje reden. Plotseling, aangekondigd door gegil vóór ons had, door een gat in de omheining, een enorme haai met wijd opengesperde kaken en hele gemene oogjes, de mensen in de wagons aangevallen. We herkenden hem meteen : het was de mensetende haai uit 'JAWS'.























We kregen een rondleiding door de studio 's, waar je binnen kon zien hoe de opnamen voor films en de vele TV-series werden gemaakt, en daarna buiten, langs de decors van een stadje in het Wilde Westen waar o.a. de vele films met John Wayne en de film 'High Noon' met Gary Cooper en Grace Kelly waren opgenomen. De huizen en de bergen aan de horizon bestonden uit beschilderde panelen die aan de achterkant gestut werden door palen. Een schietscène tussen groepen cowboys waar de acteurs zich demonstratief van het dak af lieten vallen maakte ons duidelijk dat een filmstudio inderdaad een droomfabriek is, want wat we in een film zien is in werkelijkheid bedrog en bordkarton.

De volgende dag waren we met dezelfde acht meiden, de mannen hadden geen zin gehad, met twee auto 's op weg gegaan naar de Grand Canyon. We reden over eindeloze wegen die je helemaal tot aan de horizon kon volgen. We waren nog ongeveer een uurtje van de Canyon verwijderd toen we met één van de auto 's pech kregen. Gelukkig konden we nog op eigen kracht een garage bereiken. Helaas zou de reparatie wel een paar uur gaan duren en in het stoffige dorpje waar we gestrand waren was er helemaal niets te beleven. We hadden ons net afgevraagd hoe we de tijd enigszins nuttig zouden kunnen doorbrengen toen we het bord met een pijl erop zagen die wees naar een adres een paar mijl verderop, waar vandaan een vliegtochtje in de Grand Canyon kon worden gemaakt. De avontuurlijke geest in sommigen van ons had ervoor gezorgd dat we de pijl waren gevolgd naar een ranch waar de boer ons gemoedelijk had ontvangen. Wij wilden een vliegtochtje? Dat kon! Hij zette zijn stetson af en wisselde die in voor zijn vliegpet. We hebben nog onderhandeld of we misschien, als stewardessen, recht hadden op korting en die gaf hij ons ook nog. Voor $ 25,- p.p. nam hij ons voor een uur mee. Eén stewardess had het geld er niet voor over gehad, maar de overigen hadden zich vol verwachting in het kleine vliegtuigje gevouwen.
























We vlogen eerst over een weinig interessant, vlak, bebost landschap. Na een tijdje zette het vliegtuig de daling in. We waren vlak boven de grond toen ineens de bodem onder ons wegviel...
Aaaaahh...we slaakten een kreet van schrik die onmiddellijk over ging in ooooohhh... toen we het schouwspel zagen dat zich onder ons ontvouwde.
De boer/piloot vloog ons rakelings langs de veelkleurige wanden, die door de laagstaande zon de meest fantastische kleuren van goud naar rood en van paars tot indigo, aannamen. Hij cirkelde om de 'kastelen' en 'tempels' ( sommige rotsformaties zagen er inderdaad uit als stupa's) en volgde een tijdje de Colorado Rivier, die als een zilverkleurige ketting tussen de door hem uitgesleten rotsen lag te glinsteren. Veel te snel moesten we al weer terugvliegen, maar het was een ervaring geweest om nooit meer te vergeten en het absolute hoogtepunt van onze trip.

Toen we later bij de Grand Canyon aankwamen was het inmiddels donker geworden en moesten we tot de volgende dag wachten om hem vanaf de begane grond te kunnen bezichtigen. We stonden daarom vroeg op om de kleuren te bewonderen, die de eerste zonnestralen op de rotsen diep beneden ons toverde.

Die dag hadden we nog een heel programma voor de boeg want ons plan was om via de Hoover Dam door een uitgestrekt woestijnlandschap naar Las Vegas te rijden. Gelukkig hielden de auto 's zich goed al waren we zelf behoorlijk gaar toen we in de buurt van het gokparadijs aankwamen. Via de lokale radiozender maakten hotels reclame voor goedkope kamers met als lokkertje een gratis fles champagne op de kamer. Nou dat leek ons, dorstige dames, wel wat. Dus wij moe en bezweet erop af. Jammer, toen we ons gretig bij de receptie van een paar hotels hadden aangemeld kregen we nul op het rekest.
Ze hadden helemaal geen kamers en zeker niet voor zo'n stelletje transpirerende en verkreukelde dames. Teleurgesteld dropen we af en reden de stad weer uit tot we een motel zagen dat aangaf dat er kamers vrij waren. Gelukkig wilden ze ons daar wèl hebben. Alles op de kamer gegooid en snel naar de dichtsbijzijnde bar gelopen want we vergingen van de dorst. Ik bestelde een biertje, maar tot mijn verbazing wilden ze me dat niet serveren vóórdat ze mijn paspoort hadden bekeken om mijn leeftijd te controleren ! Grote hilariteit alom, want ik was de oudste van ons achten met de respectabele leeftijd van 32 jaar. Gelukkig was dat in Las Vegas oud genoeg om bier te mogen drinken. Na onderling overleg besloten we die avond in de stad uit te gaan, maar waar naartoe ? De receptie hielp ons met zoeken want we wilden wel naar een voorstelling . Na ons opgetut te hebben, sommigen hadden zelfs de 'carmen set' bij zich om de haren mooi mee te kunnen krullen, reden we weer terug naar de Strip, waar we danig vermoeid een voorstelling in een Casino bijwoonden die weinig interessant moet zijn geweest, want ik herinner me er niets meer van. Na het gokkende publiek te hebben bekeken dat wezenloos aan allerlei éénarmige bandieten stond te trekken en tussen de tafels, waar geblackjackt en geroulet werd, door te hebben gelopen hadden we het wel gezien.























Terug in L.A. was de volgende dag een ander verplicht nummer aan de beurt : Disneyland.
Het was er druk en dat kon je merken omdat voor alle attracties een lange rij mensen stond te wachten, zodat je niet de tijd had om alle toegangskaartjes (waar je voor betaald had) te gebruiken. Wat weet ik nog van die dag ? Zingende bloemetjes van de wereld, spoken in een huis en een reis door de ruimte. Verder viel een pop op (het was Abraham Lincoln) die in een stoel zat. We schrokken enorm toen hij plotseling met zijn handen de stoelleuning vastgreep, opstond en zijn bekende Declaration of Independence begon uit te spreken. Wow, een sprekende pop, dat was nieuw. Wat ik echt waardeerde was een theater met een 360 graden filmdoek, waar je mooie filmpjes te zien kreeg over iedere staat van de USA. Ik herinner me nog dat ik naast de koetsier op de bok van een paardenkoets zat van waar ik alle richtingen op kon kijken, zelfs achter me. En dan het laag vliegen boven Hawaï. Fantastisch!
Ook leuk vond ik "the Pirates of the Caribbean", waar we nog een keer lekker hard konden gillen toen we met ons bootje een watervalletje afdonderden, zodat we met natte haren en kleren weer naar buiten kwamen. Gelukkig was het mooi weer.

Een week in L.A. , dat maakt niet iedereen mee tijdens zijn werk.

Op de terugweg zetten we i.p.v. onze verplichte hoedjes, de Mickey Mouse petjes op die onze namen droegen en genoten de hele weg naar huis nog na van deze onvergetelijke reis.

Met dank aan Carla Hos-ter Wee voor het met mij willen delen van háár herinneringen aan deze reis en tevens voor haar toestemming de dia's, die zij gemaakt heeft, te gebruiken bij dit verhaal.


























































maandag 15 juni 2009

Fado's in Lissabon

Com que voz, chorarei meu triste fado
que em tão dura paixão me sepultou.
Que mor não seja a dor que me deixou
o Tempo, de meu bem desenganado.

( tekst : Luis de Camoes, muziek Alain Oulman)
























Het was drie uur 's nachts en ik zat nog, samen met de purser, ergens in de Lissabonse buurt Alfama in een fado-tent.
We waren die avond met de crew uit eten geweest in een visrestaurant, waar altijd een tafel vrijgemaakt werd voor de 'KaPiLem-tripulantes' en daarna hadden we nog zin gehad in een afzakkertje op het terras van 'Suiça'. Het was zo'n mooie avond dat ik het zonde vond om vroeg naar bed te gaan, dus toen iemand voorstelde om nog even naar de fado's te gaan, was ik met een paar anderen, daar enthousiast op ingegaan.
Vanaf 1967 was ik, samen met A1 regelmatig in Portugal geweest. Al vanaf ons eerste verblijf waren we gefascineerd geraakt door de fado 's en hadden op onze reizen regelmatig, door heel Portugal, clubs bezocht waar de lokale, beroemde fado-zanger(s) essen optraden. Zo herinner ik me een speciale avond in Lagos, waar we aan een ober, in het restaurant waar we toen aten, hadden gevraagd waar er in die plaats de fado's werden gezongen. Hij had ons trots aangekeken en gezegd, "ik zing zelf de fado's, als jullie zin hebben moeten jullie om 24.00 hrs daar en daar naar toe", en gaf ons een routebeschrijving. Daar aangekomen bleek het een piepklein lokaaltje te zijn waar een stelletje amateurs enthousiast hun muziekinstrumenten tevoorschijn hadden gehaald en even later, nadat 'onze' ober was gearriveerd aan hun eerste fado begonnen. Ze waren net halverwege de tweede toen de politie kwam binnenvallen en de muzikanten beval te stoppen want ze hadden een klacht gekregen van een oud, ziek vrouwtje dat boven het lokaal woonde, want ze kon niet slapen vanwege de herrie. Tja, wat nu ? Als we wilden zouden ze naar een tent op het strand rijden om daar verder te musiceren. Dat leek ons wel spannend. We kregen een gitarist mee die languit op de achterbank van de huurauto ons, al spelend, de weg wees. De strandtent had geen muren maar dat gaf niet, want het was een zwoele nacht en als decor kon je op die manier de schitterende reflecties van de volle maan op de zee zien en hoorde je de branding zachtjes aanspoelen op het strand. De eigenaar was een Angolees die prachtig fluit speelde en samen met de gitaristen en de (fado) zangers, want iedereen zong mee, musiceerde hij tot in de vroege ochtend. Wij hadden de aanwezigen een paar keer op een rondje getrakteerd want het was er werkelijk spotgoedkoop. Het was allemaal fantastisch geweest totdat A1 me moest komen redden toen ik naar het toilet was gegaan. Die toiletten waren ergens buiten waar het nogal donker was. Hij had gelukkig opgemerkt dat een paar mannen me daarheen waren gevolgd. Wat voor plannen ze met me hadden wisten we niet zeker maar het was niet moeilijk te raden. We besloten na dat incident dan ook maar om zo snel mogelijk te vertrekken voordat het tot een echt gevecht zou komen.
Ik moest aan die episode in Lagos denken bij het luisteren naar al die melancholische liederen vol desillusie en spijt, het verlangen naar het onmogelijke, het verleden waarin iets treurigs is gebeurd, de dood van een geliefde of een onbeantwoorde, ongelukkige liefde.
Sinds kort was ik gescheiden van A1. Hij was verliefd geworden op een andere, overigens ook getrouwde, vrouw en wilde met haar verder. Wat had ik anders kunnen doen dan het goed te vinden? Maar het was wel bijzonder ingrijpend geweest om na tien jaar samen lief en leed te hebben gedeeld, dat in één klap vernietigd te zien worden. Ik was verdrietig maar tegelijkertijd ook opgelucht. Het ergste was het echter voor onze wederzijdse families en vrienden geweest.
De purser had zo zijn eigen sores waarover hij mij, tussen het zingen door, vertelde.
We bestelden nog wat te eten, want met al die tijdsverschillen kreeg je op de gekste momenten honger en omdat we het alleenzijn nog even wilden uitstellen.
We verlieten als laatsten het etablissement en terwijl Lissabon ontwaakte reden we terug naar ons hotel, een onzekere toekomst tegemoet.


zaterdag 6 juni 2009

Sex and the stewardess

Birds do it, bees do it
Even educated fleas do it
Let 's do it
Let 's fall in love

Uit:  'Let 's fall in love' (tekst en muziek, Cole Porter)

       Doen bemanningsleden het wel eens aan boord, met elkaar of met een passagier, of heb je wel eens passagiers ontdekt die het met elkaar aan het 'doen' waren? Als ik de statistieken moet geloven is dat een vraag die veel mensen bezig schijnt te houden. 
       Er zijn personen die daar slim op inspelen. Zo ontdekte ik dat een paar Aziatische ex-stewardessen, ieder een boek hebben uitgegeven waarin wordt gesuggereerd dat seks tijdens het uitoefenen van hun beroep de hoofdrol speelde.
       Janet Chew uit Singapore geeft toe dat ze haar boek expres de misleidende titel 'The Mile Hi! Club' heeft gegeven, wat suggereert dat het gaat over de 'Mile High Club', een exclusieve ' Club' waar je  lid van kunt worden als je seks aan boord van een vliegtuig hebt ( de hoogte van een cabine gedurende een lijnvlucht is één mijl. De mensen willen lid worden omdat het gerucht gaat dat hoe minder zuurstof er beschikbaar is des te intenser het orgasme is !) Zìj bedoelt echter met Mile Hi! dat stewardessen gedurende de hele vlucht altijd maar moeten blijven glimlachen, wat er ook gebeurt. Zelfs tijdens seks ? 
       Zo schrijft zij, evenals haar collega Yvonne Lee uit Maleisië, over stewardessen die geen slipje dragen, een triootje van passagiers in het toilet ( dat moeten slangenmensen geweest zijn), een prostituée die haar verschillende klanten in het toilet afwerkt, de captain die een stewardess die haar eerste reis maakt, op zijn kamer ontbiedt om haar te verleiden, enzovoort, enzovoort. Kortom, allerlei verhalen die ze vaak niet eens zelf hebben meegemaakt, maar 'van horen zeggen' en waarvan ze weten dat ze voor buitenstaanders intrigerend zijn.
       Een paar jaar geleden is er, om zelf maar eens een voorbeeld te noemen, veel publiciteit geweest rondom de Quantas-stewardess Lisa Robertson die in het toilet seks had gehad met de bekende acteur ( o.a. in 'The English Patient') Ralph Fiennes. Het kostte haar haar baan, maar ondertussen heeft ze (waarschijnlijk voor veel geld) haar verhaal verkocht aan de Engelse en Australische roddel-bladen en- kranten, waarin ze smeuige details onthult over de hele affaire. Uiteraard heeft de acteur zich gedistantieerd van wat er zich heeft afgespeeld, door zich van ieder commentaar te onthouden. Daar tegenover staat dat er ook beroemde mensen zijn, zoals Richard Branson en Janet Jackson, die openlijk toegeven dat ze er trots op zijn tot de MHC te behoren.


      





















       Raar is dat, alle vrouwen hebben seks vanaf een bepaalde leeftijd maar waarom wil nooit eens iemand iets weten over' seks en de de huisvrouw'? Echt, die doen het ook!  Maar stewardessen hebben nou eenmaal een speciale aura om zich heen. Ze gaan op reis met mannelijke en vrouwelijke collega 's naar exotische oorden, bovendien komen ze aan boord en daarbuiten duizenden mogelijke kandidaten tegen om iets avontuurlijks mee te beleven.
       Jazeker, er gebeurden dingen onder onze passagiers. Het kon voorkomen dat een man en een vrouw, niet noodzakelijkerwijze met elkaar bekend ( OK, waarschijnlijk ook man/man en vrouw/vrouw), naast elkaar zaten op een lange vlucht en na een paar drankjes elkaar diep in de ogen keken en een onweerstaanbare behoefte kregen om 'het', onder een dekentje, met elkaar te gaan doen zodra de lichten uit waren gegaan. Of de gedachte erachter zat om lid te willen worden van de 'Mile High Club' speelt hier misschien een rol of.. de opwindende gedachte dat je tussen honderden mensen ligt die het kunnen horen of zien en je dus ieder moment betrapt kunt worden! Soms gingen ze samen naar het toilet en in die kleine ruimte is het wat moeilijk manoeuvreren, maar ja, als de nood hoog is....
Door onze goede service en opmerkzaamheid hadden we dat natuurlijk allang in de gaten, maar we vertrokken geen spier.We begrepen het wel: zo gaat dat nu eenmaal in de natuur....
       Van seks aan boord tussen crewleden en passagiers heb ik nooit iets kunnen waarnemen en van seks tussen crewleden onderling al helemaal niet. Vroeger zal dat ongetwijfeld wel eens voorgekomen zijn toen er nog crewbedden aan boord waren of misschien tegenwoordig weer, sinds die crewbedden op de lange-afstand vluchten weer zijn ingevoerd, maar het is en blijft een uitzondering. De meesten bedenken zich wel tweemaal, want het kan je, bij ontdekking, je baan kosten.
       Maar heb ik het dan zelf gedaan ? 
Eénmaal heb ik van een mannelijke collega een voorstel gekregen om lid van' De Club' te worden door met hem seks te hebben in het toilet. Het was een lang nachttraject, de lichten waren uitgedaan en iedereen sliep. Hij dacht dat de kans klein was dat iemand erachter zou komen en bleef de hele tijd aan mijn hoofd zeuren. Maar ik weigerde want:
a) hij wond me niet op.
b) alleen al de weerzinwekkende geur van de toiletten, waar zeker honderd passagiers op die vlucht enige keren, niet al te nauwkeurig, hun behoeften hadden gedaan, maakte me al onpasselijk iedere keer als de deuren opgengingen. Brrrrrr.
c)  de kans om ontdekt te worden was groot, waarna disciplinaire maatregelen en/of ontslag niet ondenkbaar waren.
        Was ik dan zo braaf ? Ach, één van de dingen die ik gedaan heb, toen ik's nachts achterin de pantry de wacht hield, is de hand van de captain vasthouden die in het stikdonker naar achteren was gelopen om even een afspraakje met me te komen maken voor later, na aankomst in het hotel. Het was maar een kort moment; wel heel intens en romantisch. Heus, daar kan geen lidmaatschap van de 'Mile High Club' tegenop.
        Maar ik ben wel lid van een andere Club, nl. de 'Two Mile High Club', een lidmaatschap die ik verkregen heb toen ik op vakantie was op de hoogvlakten van Peru en Bolivia. Er is echter altijd baas boven baas, want sommige Indianen die in de Andes op de 5000 meter- grens wonen hebben het voorrecht om tot de 'Three Mile High Club' te behoren, tenminste dat neem ik aan, want anders waren ze immers allang uitgestorven!
Misschien moest iemand daar maar eens een boek over gaan schrijven.


maandag 1 juni 2009

Cusco en Machu Picchu





      
















       De hele dag rondhangen op een vliegveld als je IPB vloog was ondertussen routine geworden. Soms als het druk was en er niet genoeg zitplaatsen in de vertrekhal waren, zaten we op onze koffers of anders op de grond met de rug tegen een muur. Ik heb op die manier een hele bibliotheek uitgelezen, want ik denk dat ik meer uren met wachten op vliegvelden, dan vlieguren heb gemaakt. Als je niet wist of er wel plaats aan boord was gaf dat soms stress, maar daar waren we aan gewend geraakt. We wisten dat het mogelijk was dat we straks terug zouden moeten om ergens een hotel te zoeken, of je kon proberen iemand van de bemanning aan te schieten om te vragen of ze je misschien mee wilden nemen op een klapbankje of cockpitstoel. Zo bevonden we ons nu op het vliegveld van Lima om terug naar huis te vliegen. We waren vroeg aangekomen uit Cusco met een lokale airline en wachtten tot de KLM incheckbalie openging. Tijd genoeg om terug te denken aan onze reis in het binnenland van Bolivia en Peru.
       Na onze dagen in La Paz, waar we geen kant op konden vanwege de politieke spanningen en het verbod om de stad te verlaten, waren we op de toeristentrein naar het Titicacameer gestapt. Die had anderhalf uur nodig gehad om zigzaggend uit het dal te klimmen. Eenmaal op de hoogvlakte was er niet veel nieuws te zien geweest. Op de heenweg hadden we al het landschap vanuit de bus bekeken. Lopende en zittende Indianen en lama's en zo, in the middle of nowhere. Bij de grens stopte de trein een half uur bij de ruïnes van Tiahuanaco om de toeristen de gelegenheid te geven de beroemde 'Puerta del Sol' te fotograferen. 


















Daarna ging het verder tot de rand van het Titicacameer, waar een soort cruiseschip klaarlag om ons naar Puno te varen.
       We zaten buiten op het dek tijdens de zonsondergang en bewonderden de prachtige kleuren op het water en de bergen op de achtergrond. Toen het donker werd gingen we naar het restaurant waar we niet eens zo'n slecht diner genoten en brachten daarna de nacht door in onze 2-persoonshut tot we de volgende morgen in Puno aanmeerden.
       De trein van Puno naar Cusco gaf een landschap te zien waar we ondertussen immuun voor waren geworden; altiplano en bergtoppen tussen dor graslandschap.
       De volgende morgen vroeg arriveerden we in Cusco. Ik was toe aan eens heerlijk languit in een bed te kunnen slapen, want in de trein was me dat niet gelukt al had ik het in de allergekste standjes geprobeerd, meestal met mijn hoofd op de plaats naast mij met de voeten nog aan de grond. We hadden op de cruise kennis gemaakt met een Zwitsers echtpaar dat ook op weg was naar Machu Picchu. Mijn man wilde met hen, gelijk na aankomst, door naar de beroemde Inca- markt in Pisac maar ik had geen puf meer dus ging hij alleen, samen met de Zwitsers. Terwijl hij voor mij een Indiaans jasje van lamawol kocht, lag ik tussen de lakens die klam aanvoelden, want het was koud en vochtig.
       We trokken onze dagen in Cusco op met het Zwitserse stel en bezichtigden wat toeristen in die plaats gezien moeten hebben : kathedraal, de muren met stenen die tonnen moeten wegen, maar zonder kranen en cement naadloos opgestapeld waren  ( zie Erich von Däniken 's: "Waren de Goden kosmonauten"? ). De Spaanse kolonisten hadden hun best gedaan om alles te vernietigen, maar hadden deze muren als fundament gebruikt voor hun kerken en kloosters.
       Het hoogtepunt vormde onze trip naar Machu Picchu. We namen 's morgens vroeg de trein uit Cusco en reden urenlang langs de rivier de Urubamba. Op het station van Agua Calientes renden mijn man en de Zwitser de trein uit, om als eersten naar boven te kunnen rijden met de klaarstaande busjes, want we wilden een kamer reserveren in het enige hotel op Machu Picchu, dat maar 10 kamers had. Toen de Zwitserse en ik via de ontelbare haarspeldbochten boven aankwamen stonden onze mannen te glunderen, want het was gelukt ! In de laaghangende wolken liepen we, samen met de andere toeristen, tussen de overblijfselen van de antieke gebouwen rond, die eeuwen geleden op mysterieuze wijze verlaten waren door de bewoners. Na een paar uur vertrok iedereen, behalve de mensen die een hotelkamer hadden kunnen bemachtigen. Mijn man en de Zwitsers wilden de berg beklimmen tegenover de dak- deur en vensterloze stad, maar ik had geen zin, ik wilde liever even alleen blijven.
       Daar zat ik dan in mijn eentje.  Het uitzicht was overweldigend. Ik keek naar de steile bergen rondom de ruïnes en de witte wolken die in slierten tussen en onder de hoge toppen door dreven. 
























Het was angstaanjagend stil en het decor deed haast sinister aan. Ik probeerde me gelukkig te voelen, want had ik hier niet altijd van gedroomd om midden in deze prachtige poster, die ik al jaren bij verschillende reisbureaus bewonderd had, te zitten? Maar ik was het niet; er ontbrak iets... iemand... In ieder geval wist ik dat er iets helemaal niet in orde was, maar durfde niet aan de oplossing te denken.
       Een paar uur later zaten we aan de maaltijd, die stipt om 20.00 uur geserveerd werd en om 22.00 uur gingen alle lichten in het hotel uit dus was het verplicht bedtijd, terwijl we net zo gezellig zaten te borrelen met onze nieuwe vrienden. Het was die nacht koud en stil; een stilte die je in onze westerse wereld bijna nergens meer kunt horen.
       Eenmaal terug in Cusco hadden we besloten zo snel mogelijk terug te keren naar huis, want we hadden genoeg gezien voor één reis. Niks geen treinen, bussen of boten meer, maar een vliegtuig dat ons binnen anderhalf uur naar Lima zou brengen.
       Tot onze opluchting was er plaats genoeg op de vlucht naar Amsterdam en werden we door onze collega's verwend met lekkere hapjes, drankjes en cadeautjes.
       Een dag later stonden we, veilig en wel, in de winter van het vlakke Nederland en konden we beginnen aan het verwerken van onze ervaringen.

 

       

vrijdag 29 mei 2009

Bitter Bolivia





       


















      "Ach", zei pater Henk, " de nadruk op ons werk is geleidelijk veranderd van missionaris naar maatschappelijk werker."
We stonden bij de trein die mijn man en mij van La Paz naar het Titicacameer zou vervoeren. We hadden nog een laatste gesprek met pater Henk, die ons had afgezet op het station. 
        De avond daarvoor hadden de paters ons uitgenodigd om bij hen een echte Hollandse avondmaaltijd ( kippensoep, gehaktballen, andijvie en aardappelen met jus) te komen gebruiken. De laatste dagen waren we sowieso regelmatig bij hen te gast geweest en ze hadden ons laten zien wat hun werk inhield, zoals het opdienen van de mis in de naastgelegen kerk en het helpen en bezoeken van hun, overwegend arme, parochianen. Zo gaven ze voorlichting over voeding en medische zorg. Pater Henk vertelde ons als voorbeeld, dat de lokale mensen een baby die koorts heeft buiten in de vrieskou leggen. Als er iemand doodging werd het geld, dat uit Nederland werd opgestuurd voor de missie, aan het kopen van een nieuw pak en aan een mooie doodskist besteed, want dat was voor deze mensen heel belangrijk. Helaas kregen ze ieder jaar minder opgestuurd, dus voorzag hij voor de toekomst grote financiële problemen.    
       We waren bij de paters beland omdat we een reisverhaal van Cees Nooteboom, ' Bitter Bolivia' hadden gelezen, waarin hij had geschreven dat als je naar La Paz ging je een fles jenever mee moest nemen voor de Nederlandse paters Augustijnen in die stad, want dat zouden ze erg op prijs stellen. Dat vonden we wel een leuk idee, dus hadden we op Schiphol twee flessen jenever gekocht en die helemaal meegesleept naar Curaçao, Lima, met het vliegtuig naar Arequipa, met de trein over de hoogste toppen van de Andes naar Puno, met de taxi langs het Titicacameer naar de grens van Bolivia en vandaar met de bus naar La Paz.
       Na een paar dagen in Lima te hebben rondgehangen in de hete zonneschijn, wat helemaal nieuw voor me was geweest want ik kende de stad alleen maar gehuld in een dikke, klamme mist, hadden we een vliegreis geboekt naar Arequipa: 'de witte stad' aan de voet van de Andes. In Lima hadden we met de reisgids in de hand de belangrijkste koloniale gebouwen bekeken, maar wat we als erg vervelend hadden ervaren was dat op iedere straathoek een militair met geweer in de aanslag had gestaan. Vooral 's avonds deed dat luguber aan, omdat de straten dan, behalve die militairen dan, uitgestorven waren. De avondklok, die ingesteld was van 22.00 hrs tot 06.00 hrs had ook niet erg meegeholpen om een aangename sfeer te creëren, zelfs niet na enige pisco sours en een bordje ceviche.
       In Arequipa deden we ons toeristische rondje. De witte toppen van de Andes als decor op de achtergrond gaf de stad een sprookjesachtige glans. Echter, de bevolking was wat minder charmant. We waren, toen we foto's aan het maken waren, nogal dreigend benaderd door een groepje jongelui die ons bekogelde met modderballen en even later had iemand uit een bovenraam een emmer water over onze hoofden proberen uit te storten, gelukkig miste hij/ zij ons op een haar na. Waren zij misschien aanhangers van de 'Sendero Luminoso' geweest, de marxistische groepering, die iedere invloed van de USA uit de Andes-landen wilde bannen, desnoods met geweld? In ieder geval kregen we al snel in de gaten dat de mensen ons voor Amerikanen versleten en daarom zo 'n vijandige houding hadden aangenomen.
       De treintrip van Arequipa, over de hoogste toppen van de Andes, naar Puno, die meer dan 24 uur zou duren was weer zo'n briljant idee van mijn man geweest, maar zelf vond ik het behoorlijk afzien. Je moet je een soort goederentrein met harde banken erin voorstellen met als toiletten een hokje met een gat in de grond. Het was stervenskoud want verwarming ?...daar deden ze niet aan. En het werd nog kouder, want we gingen over een pas van meer dan 5000 meter! Gelukkig hadden we in Arequipa een dikke wollen poncho gekocht, die ons de hele verdere reis nog goed van pas zou komen. Er was niets interessants te zien, want we reden ver boven de boomgrens. Het was grauw weer en bij iedere halte konden we als enig voedsel wat lauwe thee en 'choclo'( zoals ze daar een geroosterde maiskolf noemen) kopen. Zo nu en dan zagen we wat Indiaanse vrouwen, in veelkleurige rokken en met bolhoeden op, in het lege landschap naast de rails zitten met een wezenloze uitdrukking op hun ongewassen gezichten. Een uitdrukking, die we de komende weken nog vele malen zouden tegenkomen. De oorzaak zal wel het kauwen op cocablaadjes zijn geweest, dat maakte ze ongevoelig voor kou en honger.
        Na deze uitputtingsslag verheugden we ons op een bed, bad en niet te vergeten een WC  in het hotel in Puno. Er was er één aanbevolen vlak bij het station, maar het zat bijna altijd vol, dus zetten de toeristen het, na aankomst van de trein, op een rennen, hun zware koffers achter zich aan zeulend. Gelukkig hadden we nog een kamer kunnen bemachtigen, maar mijn man werd onmiddellijk geveld door hoogteziekte die zich manifesteert door vreselijke hoofdpijnen en misselijkheid. Door het 24 uur stilzitten hadden we het effect van de grote hoogte niet in de gaten gehad en dat sprinten naar het hotel had hem de das om gedaan.
       Zelf moest ik héél langzaam de trap op en af lopen, anders begon het onheilspellend in mijn hoofd te bonzen. Mijn opdracht was vervoer voor de volgende dag te regelen naar de grens met Bolivia want vandaar reed er een bus naar La Paz. Ik kwam in de kille straten van Puno een Frans echtpaar tegen dat naar hetzelfde op zoek was. We boekten voor de volgende dag een taxi en we zouden de kosten met zijn vieren delen.
       Gelukkig voelde mijn man zich de volgende morgen weer wat beter en reden we langs het Titicacameer, het hoogst gelegen meer ter wereld ( bijna 4000 meter). Witte wolkjes dreven laag over het blauwe water en van de bergen waren alleen maar de toppen te zien. En...we zagen papyrusriet, heel veel papyrusriet!
        Bij de grens werd ons paspoort gestempeld, een ritueel wat in de komende dagen de reden waarom er veertig bladzijden in ons zakenpaspoort zaten, verklaarde. De bus was al even primitief als de trein geweest, maar nu was er geen gat in de grond voor de kleine of grote boodschap. Tot onze grote verbazing zagen we de bolhoeden gewoon een beetje hurken en als de vele rokken weer van de grond omhoog kwamen lag er een dampende drol met een puntje eraan. Van de stank die van deze mensen afwalmde had ik al begrepen dat water hier heel kostbaar moest zijn. Helaas reageer ik overgevoelig op vieze luchtjes en moest ik de neiging om onpasselijk te worden onderdrukken door een zakdoek tegen mijn neus gedrukt te houden. Bij ieder gehucht moesten wij, vier buitenlanders, de bus uit om onze papieren te laten controleren door één of ander gewichtigdoenerige miltitair, die dan met zwier een prachtig stempel in ons paspoort toverde.
Bij één van de stops moesten ook alle lokale mannen de bus verlaten. Toen we later wegreden zagen we dat ze in een colonne afgevoerd werden. Ay, dat beloofde niet veel goeds.
        Tegen de avond reden we La Paz binnen. We kwamen aan boven aan de rand van een denkbeeldige kom, waar op de bodem het centrum van La Paz te zien was en daalden via enge haarspeldbochten naar beneden. We zagen eerst eindeloze krottenwijken, die tegen de wanden leken geplakt. De rijken woonden beneden in het dal, een verschil van wel 600 meter, dus  meer zuurstof. In het centrum aangekomen wachtte ons het bericht, dat de dictator, president Hugo Banzer, een avondklok had ingesteld. Bovendien moesten we ons iedere dag op het politiebureau komen melden en mochten we La Paz niet verlaten. Later bleek, hoorden we, dat er in Cochabamba een opstand van boeren, die protesteerden tegen de schaarste van voedsel en de prijsstijgingen van wel 100%, bloedig door zijn militairen was neergeslagen.
         Het enige plan wat overbleef was naar de paters te gaan met onze flessen jenever. Daar werden we met open armen ontvangen. Nederlanders die aan hun poort klopten en dan ook nog hun favoriete drankje als cadeau bij zich hadden, die waren altijd welkom ! Zo kregen we pater Henk, als een soort moderne engel in spijkerbroek, als onze gids mee in de dagen dat we in La Paz zouden doorbrengen ( de andere paters waren al oud en gebruikten liever al hun energie om te bidden voor het zielenheil van hun schaapjes.) Zonder hem was ons verblijf niet zo bijzonder geweest. Hij liet ons zien waar hij zo dagelijks mee bezig was en vertelde daarbij geestige anekdotes, terwijl hij ondertussen ook nog langs alle bezienswaardigheden reed. 
         We namen afscheid en dankten Pater Henk voor de moeite die hij had genomen om ons verblijf, ondanks de politieke omstandigheden, zo aangenaam mogelijk te maken. We wensten hem veel sterkte in de komende tijd, want dat de paters voorzichtig zouden moeten zijn met het uiten van meningen die het militaire regime onwelgevallig zouden kunnen zijn, dat was wel zeker.
          De trein zette zich langzaam in beweging. We bleven zwaaien tot hij nog een klein stipje op het perron was.Toen de trein een bocht inzette zou hij voorgoed uit ons zicht verdwijnen.
         
           
          

zondag 24 mei 2009

Spookvliegtuig


  

  
    












    Mijn 5-jaarscontract bij de KLM was afgelopen maar ik had nog recht op één FII-vlucht. Mijn man wilde daarom nog eenmaal zo ver mogelijk weg gaan. Onze uiteindelijke bestemming zou Machu Picchu in Peru zijn maar we wilden ook nog een omweg maken naar La Paz en misschien, als de tijd het ons toeliet, van daaruit naar het Amazonegebied van Bolivia vliegen.
     We waren op weg van Caracas, in een DC 8 van VIASA , naar Lima. De maaltijdservice was afgelopen en we vlogen 's nachts over de vulkanen van Zuid Amerika naar onze bestemming.  Ik lag uitgestrekt over drie stoelen na te denken over de voorgaande dagen die we hadden doorgebracht op Curaçao. 
     Zonder iets gereserveerd te hebben waren we in Amsterdam op de directe vlucht naar Curaçao gestapt en hadden op Hato vliegveld gestaan zonder kans te zien vervoer naar een hotel te regelen. Er stonden geen taxi 's voor de aankomsthal en het zag er daarom zorgelijk voor ons uit totdat... een auto voor ons stopte en de man achter het stuur ons vroeg of we ergens heen wilden ? We legden ons probleem aan hem uit en naar aanleiding daarvan bood hij aan ons naar een hotel in Willemstad te brengen. Zo gezegd, zo gedaan. Hij was werkelijk alleraardigst en zette ons af bij een hotelletje in Punda en nodigde ons uit de volgende dag met hem een toertje te maken, want hij wilde ons het èchte Curaçao laten zien.
    Het hotel was goedkoop, maar dat had zijn nadelen. Geen air-conditioning, maar een ouderwetse fan aan het plafond. Over de badkamerfaciliteiten zal ik het kort houden, want die waren beneden peil. Iets met verstopping en overstromingen. Misschien nog steeds wel!
    Onze nieuwe vriend hield woord en reed ons de volgende dag over 'zijn' eiland. Wees ons de plaatsen aan waar het belangrijkste Curaçaose gebeuren plaatsvond en nam ons mee naar de bar waar je de beste whisky kon drinken en naar een plaatselijke restaurant waar typisch lokale gerechten op het menu stonden. 
    De volgende avond waren we uitgenodigd op een feest van een vriend van mijn zwager, die op het eiland hoofdonderwijzer was geworden na zijn afstuderen op een Nederlandse kweekschool.
We arriveerden bij een zwaar bewaakt huis, want zo vertelden ze ons, dat was hard nodig.
Een steelband verzorgde de muziek tijdens de luxe BBQ en een lokale man onderwees me hoe te dansen op het latijns-amerikaanse ritme. De altijd aanwezige harde wind, de verwaaide klanken van de muziek, de geur van de frangipani-bloemen, dat alles liet een onvergetelijke indruk na.
   Vanmorgen hadden we echter bij nacht en ontij op moeten staan, want onze vlucht van Curaçao naar Caracas zou vroeg vertrekken. Onze vriend zou ons om 7.30 uur komen ophalen, dus hadden we om 7.00 uur onze opwachting gemaakt in de ontbijtzaal van het hotel. Er was niemand te bekennen, maar alle tafeltjes waren keurig gedekt. We wisten dat er een Chinese delegatie die ochtend uit het hotel zou vertrekken, dus namen we aan dat het voor hen was. We keken in de keuken, geen personeel te zien maar wel machines vol met versgebrouwde koffie en diverse mandjes met toast. We namen de toast en koffie mee naar een tafeltje, gebruikten de klaargezette boter en marmelade en toen het tijd was om te vertrekken hadden we nog steeds geen hond gezien, dus zijn we onopgemerkt vertrokken. Moeten ze maar beter op hun gasten letten.
     Na de hele dag wachten op het vliegveld van Caracas waren we dan eindelijk, bij het vallen van de avond, vertrokken naar Lima.
Ik had een paar uur geslapen en was wakker geworden met een ongelofelijke dorst. Ik keek om me heen maar het was werkelijk aardedonker, nergens brandde een lichtje. Omdat ik als FII-er niet wilde bellen, stond ik op en liep op de tast naar de pantry achterin het vliegtuig. Toen ik daar aankwam was er niemand die de wacht hield. Hoewel ik natuurlijk best op de hoogte was van waar de drankjes zich bevonden, vond ik het ongepast om die dan zelf maar te pakken. De beste oplossing was om naar voren te lopen en een drankje te vragen bij de bemanning aldaar. Door het donker zocht ik me een weg naar voren, al struikelend over uitstekende armen en benen in het gangpad. De voorste pantry was eveneens onbemand. Ik bedacht me dat ik nu gewoon door zou kunnen lopen naar de cockpit, maar stel je voor dat als ik daar de deur opendeed, ik alleen maar lege stoelen zou zien..... ? Wat een griezelig idee! Het leek me daarom het beste mij weer naar achteren te werken en mijn glas water dan maar zelf te pakken. Eenmaal terug, stond er een andere dorstige passagier verweesd naar een lege pantry te kijken. Kordaat opende ik de drankencontainer, pakte een paar glazen en schonk ons wat in.
    Zo stonden we in de pantry en toen andere passagiers langskwamen die een drankje wilden hebben schonk ik dat ook maar in. Ik legde wel uit dat ik een KLM-stewardess was, die, hoewel ik niet in uniform was, regelmatig samenwerkte met VIASA-bemanningen, zoals ik dat trouwens eveneens had gedaan met de PAL en Garuda. Ik zat er niet eens zo ver naast, maar ik had geen zin om de details betreffende de samenwerkingsverbanden tussen de verschillende maatschappijen nader toe te lichten. Gelukkig realiseerden de passagiers zich niet dat er misschien wel helemaal geen crew meer aan boord was en dat we in cirkeltjes boven de Andes rond zouden vliegen tot de brandstof op was.
    Wie het toestel later geland heeft weet ik niet, maar we zijn uiteindelijk toch veilig aangekomen op het vliegveld van Lima waar het volgende avontuur al op ons te wachten stond. 
    

donderdag 21 mei 2009

Niagara Falls
























Mijn vijfjaarscontract was op een spectaculaire manier geëindigd met een landing op drie motoren van onze DC 8-63. Een welkomstcolonne van brandweerwagens en ambulances had met hun bemanningen klaargestaan om mijn noodsprong via de glijbanen of een wandelingetje over de vleugels te kunnen assisteren, wat perfect zou hebben aangesloten bij mijn gevoelens tijdens mijn laatste vlucht. Maar alles verliep goed, dus verlieten we het toestel gewoon via de trap.
Er volgde een officieel afscheid waarbij ik een toespraakje van de captain en een cadeautje van de crew kreeg en toen was het gedaan met mijn vliegcarrière. Niet dat ik dat wilde, maar ik had geen keuze in de zaak. Vijf jaar was vijf jaar wat de KLM betrof, ik kon gaan : daar was het gat van de deur. Maar... er was sinds kort een mogelijkheid, alleen voor stewardessen, om toch door te kunnen vliegen, nl. met een standby-contract en wel tot je vierendertigste jaar. Oude vrouwen? Dat staat niet, vonden ze nog in die tijd.
Na enig nadenken of ik wel weer als de minst seniore stewardess aan boord wilde gaan werken, besloot ik om het experiment aan te gaan. Vanaf nu moest ik, samen met alle andere standby's, iedere week ( met een pot koffie of thee naast me, want het kon wel een uurtje of wat duren voordat je aan de beurt was) naar de coördinatie bellen of er vluchten beschikbaar waren. Er gingen allerlei tips in de rondte hoe je vooraan in de wachtlijn kon komen, maar ik merkte daar niet veel van. Soms was er niets en moest je weer een week wachten of er waren alleen maar charters, zoals de Las Palmas heen en weer op zondag. Meestal waren er veel NAD-vluchten, maar mij hoorde je niet klagen want ik vond het al prachtig dat ik nog kon reizen en voor de KLM was het voordelig om een ervaren kracht in te kunnen zetten voor een 'prikkie'. Zo sneed het mes dus aan twee kanten !
In het voorjaar van 1974 kreeg ik een vlucht aangeboden op een zojuist nieuw geopende lijnvlucht naar Canada: Toronto. We zouden er drie dagen blijven staan.
We verbleven in het Royal York Hotel ,een statig hotel dat nog uit de negentiende eeuw stamde, dat dichtbij het centrum en de haven lag. In 1974 was Toronto nog een saaie, provinciaal aandoende stad waar niet veel sfeer vanuit ging. Yonge Street was de hoofdstraat; als je die maar volgde kwam je vanzelf alle belangrijke gebouwen tegen. Het oude en het nieuwe stadhuis, de Universiteit en York Town, het oudste stadsgedeelte van Toronto met leuke barretjes en restaurantjes.
Op één van die dagen huurden we een auto om naar, het 135 km. verderop gelegen, Niagara Falls te rijden. Toen ik nog een klein meisje was, had ik door de 'Viewmaster' van mijn grootvader naar de zeven wereldwonderen gekeken en had me zodoende een voorstelling gemaakt van hoe het eruit zou moeten zien. Ik dacht aan hoger, groter, breder, ja eigenlijk aan iets ontzagwekkends, maar dat viel me wat tegen. Waarschijnlijk was ik al een beetje bedorven geraakt door alles wat ik gedurende de eerste vijf jaar van mijn vliegtijd had gezien en meegemaakt. Desalniettemin hees ik me in het oliepak om met de rondvaartboot, 'Maid of the Mist' geheten, onderlangs de watervallen te varen. Van die kant af gezien waren ze wat indrukwekkender en het geluid van het neerstortende water was oorverdovend. Achteraf was ik toch wel blij dat ik er geweest was. Weer kon er iets van de verlanglijst afgestreept worden.
Mijn vijfjaars-contract was dan wel afgelopen en langere vluchten waren schaars voorradig, maar ik was tevreden omdat ik nog, al was het 'voor spek en bonen', mee kon draaien in het wereldje dat me in de voorgaande jaren zo vertrouwd was geworden. Maar wat mijn werktoekomst, na mijn 34ste jaar betrof, verkeerde ik in de mist, al kluste ik er bij het grootste uitzendbureau van Nederland wat bij en was ik inmiddels aan een studie sociologie begonnen. Voorlopig had ik een aantal jaren uitstel gekregen vóórdat het doek echt zou gaan vallen.