Posts tonen met het label 1969. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1969. Alle posts tonen

woensdag 17 februari 2010

Arm en rijk in Rio
























Het liep tegen de avond en ik zat op mijn balcon van het hotel in Rio te genieten van het uitzicht. Met mijn voeten op de reling en een glaasje champagne in de hand zag ik hoe, van de hoge berg die de vorm had van een reusachtige kikker, hanggliders als eigentijdse Icarussen de diepte in sprongen. Daar cirkelden ze in elegante spiralen naar beneden om met een laatste rondje boven de branding op het strand voor mij te landen. Soms hield ik mijn hart vast als ze laag over de appartementenblokken recht op mij af leken te vliegen, misschien om hun landing nog een beetje uit te stellen. Gelukkig viel er niemand naar beneden terwijl ik daar zat, want dat zou mijn dromerige stemming wreed verstoord hebben.

Ik houd er wel van om aan het eind van de middag met een glaasje wijn in de hand zo'n beetje voor me uit te filosoferen.
Ik was al vele malen in Rio geweest. De eerste keer in 1969 toen we met de bemanning nog in een hotel op het Copacabana-strand logeerden. Toen ik 's middags wakker was geworden en de boulevard op was gelopen en het "Suikerbrood" had zien liggen, had ik even in mijn arm moeten knijpen om te controleren of het geen droom was, of ik daar wel ècht stond, midden in de poster die ik al jarenlang had bewonderd in de etalages van reisbureaus. Het was heel erg heet geweest en ik had geen zin gehad om in mijn eentje op het strand te gaan liggen, maar het feit dat ik daar was, had me een gelukkig gevoel gegeven. Achter het hotel zat een restaurantje waar de crew na aankomst altijd een biertje ging drinken en waar je avocado met garnalen in cocktailsaus kon bestellen, een hors d'oeuvre die ik volgens de ervaren bemanning per se moest proeven. Tot op dat moment was de avocado een, voor mij, totaal onbekende vrucht geweest.
We hadden maar een korte stop omdat er in Rio een bemanning gestationeerd stond die een nachtstop maakte in Santiago de Chili. We kwamen 's morgens aan, na ruim 12 uren te hebben gevlogen vanuit Lissabon, en gingen de volgende avond datzelfde ellenlange stuk weer terug.
Ik was er ook eens geweest tijdens het befaamde carnaval. We hadden op onze vrije avond en nacht op de Copacabana met de uitbundige menigte mee gesamba'd. Wat een ambiance ! Een unieke ervaring, hoewel ik er eigenlijk niet zo van houd om me in grote menigten te begeven.

Dat was allemaal al weer tien jaar geleden en ondertussen was de stationering afgeschaft. We vlogen nu twee maal per week naar Santiago de Chili met op de ene reis een vier dagen stop in Rio en op de andere vier dagen in Santiago.
Ik kwam hier meestal als het winter was op het zuidelijke halfrond, want dan hadden de echte Zuid-Amerika liefhebbers niet zo'n zin om erheen te gaan. Deze keer was het echter wel het goede seizoen, alleen hadden we hier helemaal niet moeten zijn !
Ik had een reis naar Aruba aangevraagd, want enthousiaste collega's hadden me verteld dat het daar zo'n BioVakantie Oord was. Daar was ik wel aan toe na al mijn Europa-gekachel.
We hadden een gezellige crew en in Lissabon waren we met zijn allen uit eten gegaan. Die nacht wachtten we echter tevergeefs op calling-time, want het mistte weer eens in Lissabon, dus vloog de machine over. We waren teleurgesteld, want nu moesten we naar Rio met maar een korte stop. Mopperen hielp niet, dus pasten we onze plannen aan. De dag van aankomst hadden we ons na een paar uur slapen uit bed gesleept om een tochtje te gaan maken naar de Corcovado, de berg waar het Christusbeeld opstaat en vanwaar je een fantastisch uitzicht hebt over de stad, de bergen en de omringende baaien. We namen taxi's om naar het stationnetje onder aan de berg te rijden. Onderweg passeerden we de wereldberoemde stranden Leblon, Ipanema en Copacabana. Door de raampjes zagen we wit zand en blauwe zee geflankeerd door hoge palmbomen, in hoog tempo aan ons voorbij glijden. Met het kabeltreintje reden we door een tropisch oerwoud omhoog. Tussen de exotische planten door kregen we zo nu en dan een glimp te zien van de stad die alsmaar verder in de diepte wegzakte. Het uitzicht bovenop de berg was adembenemend en na een tijdje gingen we met tegenzin weer terug naar beneden.

Niemand, behalve ik, had een camera durven meenemen, omdat we die morgen weer eens afschuwelijke verhalen hadden gehoord over de roofovervallen die onlangs in Rio hadden plaatsgevonden. Bemanningsleden, die de bus hadden genomen naar de stad, waren beroofd van al hun sieraden, geld en camera's. Amerikaanse dames, met van die blauwgespoelde permanentjes en synthetische, felgekleurde broekpakken aan, waren overvallen tegenover de ingang van ons hotel, nadat ze in het geldwisselkantoor hun dollars hadden omgewisseld voor de dagelijks devaluerende cruzeiro's. Dat het gevaarlijk was wisten we wel, maar we waren weer eens met onze neuzen op de feiten gedrukt. Al die luxe die ons omringde had ook zijn keerzijde, nl. dat er een enorme kloof bestond tussen arm en rijk in de meeste landen waar we heen vlogen. Behalve Rio waren er nog veel meer steden in de wereld, vooral in Afrika, waar het gevaarlijk was om als westerling de straat op te gaan. Het werd ons dan ook aangeraden om gouden, zilveren en diamanten juwelen en dure camera's thuis te laten. De kluizen in het hotel waren geen garantie, want ook die werden zo nu en dan leeggeroofd. Fijn is het niet, maar vanuit het oogpunt van de armen moet onze protszucht wel erg onrechtvaardig overkomen. Het was des te schrijnender omdat vlak achter ons luxe hotel de armoedigste sloppenwijken tegen de berg aangeplakt lagen, terwijl aan het strand de mooiste paleisjes stonden die noodgedwongen beveiligd moesten worden door hoge muren met daar bovenop glasscherven en met een gewapende wacht voor de toegangspoort..

Mijn glas was leeg en ik stond op om roomservice te bestellen. Ik besefte dat ik deze weelde nooit van mijn salaris zou hebben kunnen bekostigen en nam me voor, dat zolang het duurde, er heel veel van te genieten !

zondag 1 maart 2009

Waterskiën op de klong



















"Jongens wat gaan we doen?" Dat was de geëikte vraag tijdens de crewborrel, na aankomst in het hotel. 
Er was altijd wel iemand die een origineel idee had. Als we een paar dagen tot onze beschikking hadden waren de mogelijkheden legio : sightseeën, shoppen, zonnebaden bij het zwembad of op het strand, of een favoriete sport gaan beoefenen. 
Op deze Verre Oostenreis waren we de eerste dag naar Vouliagmeni geweest, het strand van Athene. Op de volgende hadden we een tochtje met de veerboot gemaakt vanaf Spiraeus naar het eilandje Aegina, dat een uur varen van de kust af lag. 
In Karachi deden we van pure meligheid spelletjes in het zwembad, want behalve dat de 'voetenman'  likdoorns met een pijpje uit onze veelgeplaagde tenen en voetzolen kwam zuigen en een waarzegster die voorbijkwam om je de toekomst te voorspellen door je handpalmen te lezen, was er niet veel te beleven. Iemand van de crew sprong met een duikvariant van de plank af en de rest moest die zo goed mogelijk nadoen. De rare bokkensprongen die toen vertoond werden kregen niet de schoonheidsprijs, maar ze jaagden wel de Pakistani het water uit, vanwege de bommetjes.  
Van de tafeltennistafel werd ook veel gebruik gemaakt en tegen zonsondergang pakten de tennissers onder ons een houten Dunlop Maxply uit hun koffer en gingen in het naar oranje verkleurende licht een balletje slaan. Als de muezzin het avondgebed over onze hoofden uitstortte en de bearers en sweepers op het gras knielden met hun achterwerken naar het westen toegekeerd; als langzaam één voor één de lichten werden ontstoken, dan werd het tijd om te gaan douchen en daarna op de galerij een biertje te drinken, tot we daar weggejaagd werden door de gemeen stekende muskieten.
Nu zaten we, in Bangkok, na aankomst in de crewbar van Plaswijck, met een Singha biertje, een sateetje of steaksandwich voor onze neus, de mogelijkheden voor de vrije dag te bespreken.
"Hé jongens, wie gaat er morgen mee waterskiën? "
Nou, ik niet, want dat had ik nog nooit gedaan. 
"Kom op, joh, het is harstikke leuk en je leert het zo, er is daar ook een goede leraar aanwezig." 
Na vele uitvluchten van mijn kant liet ik me uiteindelijk overhalen de volgende dag mee te gaan.
Met een busje werden we naar een snelstromende bruine rivier gereden, waar een speedbootje op ons lag te wachten. Mijn collega's startten direct, op één ski, vanaf de aanlegsteiger. Ik wachtte gelaten op de instructies van mijn Thaise leraar. We gingen in het water liggen en ik kreeg twee ski's aan mijn voeten. Knieën ontspannen houden, kabel vastpakken en vooral niet voorover vallen als de boot wegscheurt. Eigenlijk ging het zo gek nog niet en het lukte me, na talloze malen in het water te zijn gevallen, soms zelfs kopje onder, een tijdje op de been te blijven. Wat een euforie ! Voordat ik het wist surfde ik over de hekgolven heen, en weer terug, en begon er zowaar een beetje plezier in te krijgen. De enige hinder die ik ondervond was van mijn bikini. Natuurlijk had ik een badpak moeten dragen, dan zakt je broekje tenminste niet op je enkels als je uit het water wordt gesleurd. Ook moest ik me een keer laten zakken toen het rugbandje van mijn bovenstuk het begaf. De instructeur moest het water in om hem weer vast te maken. Maar goed, ondanks deze perikelen kreeg ik een beetje oog voor wat er allemaal in het water deinde. Grote eilanden met groene planten dreven voorbij en een zak, die bol stond van de lucht, dacht ik. Bij nadere inspectie bleek het een dode hond te zijn, die helemaal opgeblazen was. Arggggh..! Ik zag de mensen die zich in het smerige water bij de oever wasten en er hun tanden mee poetsten; jongetjes die, net zoals wij in het zwembad van Karachi, bommetjes maakten; allerlei soorten bootjes en vrachtschuiten en van die rare Hollanders die daar tussendoor skieden. 
's Avonds in de crewbar begon ik me zorgen te maken over mijn gezondheid, want ik had toch zo nu en dan wel wat water binnengekregen; als dat maar goed ging ! Een commissie van wijze crewleden wist er wel wat op: ik moest een paar glazen pure jenever drinken, hèt adequate paardenmiddel voor de witte mens in de tropen.
Of het geholpen heeft betwijfel ik, want een paar weken later lag ik, meer dood dan levend, met amoebe-dysenterie, in het Bangkok Nursing Home van de Zwitserse dokter Ettinger. Er was sprake van dat ik die misschien had opgelopen door het eten van hapjes afkomstig van de hors d'oeuvres-kar in Beirut, maar het kon evengoed gekomen zijn door de ober in Karachi die ons, met zijn duim in de soep, het bord voorzette. Onder zijn nagel had een zwart randje gezeten. Het water van de klong was daarna misschien de druppel geweest, die de emmer had doen overlopen. In mijn geval liep alles over, zowel van boven als van onderen.
Enfin, een dag of tien later, na twintig pillen per dag slikken, ging ik op drie stoelen naar huis (met aan boord mijn eigen toilet). Daarna was ik een week of drie thuis, omdat ik nog steeds doodmoe en slapjes was, maar na een paar testen in het Tropische Instituut mocht ik weer gaan vliegen. 
Maar ik had mijn lesje geleerd.
Ten eerste: eet niet van de hors d'oeuvres-kar in Beirut ( die is kort daarna sowieso afgeschaft, want ik was niet de enige die in het ziekenhuis was beland.) 
Ten tweede: eet geen soep in Karachi.  
En als laatste : ga niet waterskiën op de klong in Bangkok !

 

woensdag 4 februari 2009

Het leukste van Curaçao


























Nu ga ik iets leuks schrijven over Curaçao, dacht ik. Tegelijkertijd begonnen toen de problemen. Ik begon te piekeren en te piekeren en mijn geheugen te kwellen: wat was er nu leuk geweest op dat eilandje van onze rijksgenoten, zoals de koningin die verre wereldburgers noemt ?
Natuurlijk was er de harde wind, die altijd uit dezelfde richting waaide, zodat de enkele bomen die men zag zo kromgegroeid waren dat ze perfecte windwijzers vormden. Mensen met lange haren konden daar ook maar beter niet naar buiten gaan, want het eindigde ermee dat hun kapsel veranderde in een onontwarbare knopenmassa. Nu snapte ik ook, waarom alle vrouwen daar superkort haar droegen.
Een aardig verhaal is misschien wel, dat ik, toen ik voor het eerst in ons toenmalige hotel aankwam ( het 'Flamboyant Hotel') de hotelmanager, die Hazeleger heette ( ik geloof, dat zijn voornaam Berend was) bleek te kennen omdat hij afkomstig was uit mijn geboortedorp. Mìjn vader had vroeger nog een bijbaantje als boekhouder gehad bij het kippenbedrijf van zìjn vader. We haalden herinneringen op aan de burgemeester, het kasteel in het bos, de zwartekousenkerk en het enige warenhuis wat het dorp rijk was geweest. Het grote hotel met de tennisbaan, waar mijn ouders met de elite van het dorp tennisten op zondagmorgen, wat een grote schande was, want de verplichte zondagsrust van de orthodoxe gereformeerden en hervormden werd zo ongewild ( ze konden toch ook de andere kant opkijken?) verstoord bij het zien van al die bewegende blote armen en benen, wat zo'n beetje gelijk stond aan een kijkje in de hel ! Gelukkig lazen ze de rest van de dag in de bijbel om al dat verderfelijks te verdringen.
Maar goed, al op de eerste avond bleek dat het toppunt van culinair genot op het menu van Flamboyant, uit 'kapucijners met spek en piccalilly' bestond, mij warm aanbevolen door de al door de wol geverfde leden van de bemanning die in de zwoele avondlucht kennelijk heimwee hadden gekregen naar de Hollandse winter.
De kamers waren, eufemistisch gezegd, niet al te schoon en er hing zo'n verrottingslucht, die kennelijk hoort bij een combinatie van tropische temperaturen en de nabije aanwezigheid van de zee. Het kwam vaak voor dat de kamers nog niet waren schoongemaakt als we in het hotel aankwamen en als je een lange wachttijd wilde vermijden, kon je maar het beste je eigen bed opmaken en schone handdoeken uit de kast op de gang, of van de trolley van het kamermeisje, halen. Die ene keer dat het leek alsof mijn kamer wèl was schoongemaakt kwam ik bedrogen uit, want toen ik het opgemaakte bed opensloeg, zag ik verdachte vlekken op de lakens en moest ik alsnog aan het werk. Misschien dacht het kamermeisje dat ik zo moe zou zijn dat ik het niet zou merken, maar waarschijnlijker is dat ze helemaal niets dacht. Laat ik maar zwijgen over de snelheid van de 'service' van de rest van het eilandpersoneel, we zullen het er maar op houden dat de bevolking passief wraak nam op de hedendaagse nakomelingen van de voormalige koloniale 'onderdrukkers.'

Op een keer had de 2e co-piloot ( oftewel de 2e Tweede of Coco) een open jeep gehuurd en daarmee reden we het hele eiland door van oost naar west over een lange golvende weg met aan weerszijden 'bush', bestaande uit laag struikgewas en cacteeën, bevolkt door hier en daar een kudde geiten. We zagen aan de zuidkant: de baaien, stranden, oude landhuizen en de olieraffinaderij. De noordkust was ruig en vanaf hoge kapen keek je uit over een woeste branding. Ik hoorde dat aan die kant van het eiland veel haaien de zee onveilig maken, maar door de onherbergzaamheid van de kust had niemand daar last van, want het was sowieso te gevaarlijk om daar het water in te gaan.
We dronken een biertje en lunchten in Jaanchies Restaurant op Westpunt, tot op de dag van vandaag een beroemd restaurant. Niet vanwege het eten denk ik, maar wel om het heerlijke uitzicht en de relaxte houding van de eigenaar, die wel Jan(tje) zal heten.
Op de terugweg reden we langs Willemstad om vanaf Otrabanda de wandelbrug over te steken naar Punda, waar we de markt aan de waterkant bekeken en langs de tax-free winkels liepen. De prijzen duidden op een rijke clientèle, waarschijnlijk afkomstig van de regelmatig aanleggende cruise-schepen.
























Bij het vallen van de avond zaten we weer met een drankje op het terras van het hotel en zagen hoe de laatste stralen van de ondergaande zon de schepen kleurden die loom voorbijgleden. Ons avondlijke vermaak bestond uit eten, drinken en slapen, tenzij we er in het weekend verbleven, want dan was er nog wel eens een steelbandje, dat voor wat vertier zorgde.
Voor de mannen op het eiland, en dat waren er velen want er waren kampen van de Nederlandse marine en mariniers op het eiland gelegen, was er nog de mogelijkheid Campo Alegre, een soort reservaat waar prostituées( uit vnl. Colombia) waren ondergebracht, te bezoeken. Voor de stewardessen was de enige mogelijkheid aan hun schoonheidsslaapje te werken.

Na een paar jaar verhuisden we naar Frommer's Hotel, vlakbij het Hilton Hotel dat gebouwd was aan Piscadera Baai. Een kleine verbetering, dat wel, maar of het daar leuker was ?

Maar het leukste van Curaçao is natuurlijk gewoon: om er geweest te zijn.






dinsdag 2 september 2008

Een week in Brazza

Daar heb ik het nog niet over gehad: Donker Afrika.
Het moest er wel een keer van komen: een langere vlucht naar Afrika. De ervaringen in Monrovia hadden me in ieder geval niet enthousiast gemaakt. We zaten daar in een een eng hotel bij het vliegveld, dat Robertsfield heette, waar het enige vertier het kijken naar de overkant van de rivier was, waar op de oever wat primitieve hutjes midden in het oerwoud stonden. De mensen waren onvriendelijk, we werden zelfs wel gediscrimineerd; nu wisten we ook eens hoe dat voelde. Een trip naar de stad werd niet aanbevolen: dat was te gevaarlijk . Naar het strand kon wel, mooi wit zand en een gevaarlijke branding. Er was nooit iemand te bekennen, wat wel mooi was voor de naaktlopers onder ons. Eens reden we een dorpje binnen op de terugweg. We bekeken de gebruikelijke ronde hutten van de bewoners, maar zo´n bezoek was waarschijnlijk alleen interessant voor antropologen. Primitief w
as het er. Ja.

Dus was ik benieuwd wat ons te wachten stond op onze vlucht naar Johannesburg, met een week overstaan in Brazzaville ( Frans Congo ) met midden in, een dagje heen en weer naar JNB.

We arriveerden´s morgens, tegen zonsopgang, op een klein vliegveld met wat bloemenperkjes. De station-manager loodste ons snel langs de douane , waarschijnlijk kocht hij ze om met whisky zodat we niet gecontroleerd zouden worden. Niet ver van het vliegveld wachtte ons hotel. De crew werd gehuisvest in bungalowtjes, die in een bos stonden. Onze opdracht was de week zinvol door te brengen in een politiek onstabiele omgeving, waar bovendien niets te beleven viel.

De crewborrel werd vaak gehouden in een huis verderop in de straat, waar enige KLM-ers een appartement hadden gehuurd, omdat ze er drie maanden gestationeerd stonden. Het was er vaak een gezellige boel, omdat de enkele buitenlanders die daar woonden, af kwamen op de drank. Zo was "Broeder Piet " van de missie een vaste klant, want waar kon hij anders jenever drinken ?
Overdag hadden we het zwembad om bij rond te hangen. Overigens wel uniek gelegen, want in de verte zag je Kinshasa (het vroeger Leopoldville) liggen aan de overkant van de Congo-rivier.
s' Avonds liepen we over de verlaten, met bomen omzoomde lanen, naar het restaurant van "Madame", een Française die achtergebleven was na de dekolonisatie van Frans Congo. Wie verwacht er zulk lekker eten in Afrika? Bij de voorgerechten stonden: uiensoep, pâté en escargots provençale. Iedereen bestelde de slakken, behalve ik, want dat vond ik eng om die te eten. Ze zeurden net zolang en zwaaiden steeds met, tussen het slakkengereedschap geklemde beestje voor mijn gezicht, totdat ik er eentje proefde. De slak had de neutrale smaak van aarde, maar het lekkerste vond ik de knoflooksaus en het verse stokbrood, die erbij geserveerd werden om het laatste beetje van de saus mee op te deppen. Sindsdien was ik er verslingerd aan.

We waren jong en wilden wel eens wat en zo kwamen we op een avond terecht in de wijk Poto Poto die op een heuvel boven de villawijk lag waarvandaan 's nachts, door het open raam van de hotelkamer, de Afrikaanse stemmen en andere huiselijke geluiden binnenwaaiden. De lokale disco lag in de open lucht en door een gat in de muur stapten we naar binnen. Het was er zo donker, dat we alleen de witte tanden en het oogwit
van de aanwezige gasten konden zien. Ze ontvingen ons heel hartelijk en al gauw hadden we ons gemengd tussen de Afrikanen die ons breed lachend probeerden te leren hoe je op zijn Afrikaans beweegt. Wat waren we houterig vergeleken bij hen ! maar we hadden wel veel plezier en het bier was goedkoop, dus gaven we vele rondjes weg.

Op onze stop van een paar uur in Jo'burg kochten we vlees, worstjes en wijn in, om eenmaal terug in Brazza een BBQ te kunnen organiseren aan de oever van de Congo-rivier.
We gingen nog even langs de markt om houtskool, stokbrood en de ingrediënten voor de sla in te kopen die, wij stewardessen, klaarmaakten in de wastafel op onze hotelkamer.
Ik herinner me de ontspannen atmosfeer: de mannen, die een vuurtje stookten en het vlees op de BBQ legden; de stewardessen die de tafel dekten en wijn, bier en water serveerden.
Sommigen van ons probeerden in een holle boomstam, die aan de oever lag een stukje de rivier op te varen, maar door de snelle stroming zagen ze er toch maar gauw vanaf.
























Het was een onvergetelijke middag : de zon die boven het water onderging, de pirogues die langsgleden en de exotische klanken van de Afrikaanse taal, die ons via de rivier bereikten.
Sinds deze ervaring kan ik me voorstellen dat er mensen zijn, die verslaafd raken aan Afrika.


woensdag 5 maart 2008

Eerst Nikko zien, dan sterven

De paar dagen iedere week in Tokyo gaven ruimschoots de gelegenheid om dagtripjes te kunnen maken.We waren er wel vroeg voor opgestaan, want de treinrit duurde een paar uur, maar je moest nu eenmaal 1x in je leven in Nikko zijn geweest ( zoals in Europa in Napels) om daarna met een gerust hart te kunnen sterven, want je had immers het mooiste aanschouwd wat er op deze wereld te zien was ? Toen we na een tijdje de voorsteden van Tokyo, met een ratjetoe van ouderwetse houten huisjes en lelijke betonnen nieuwbouw, achter ons hadden gelaten reden we door een vrij vlak landschap, langs meren met bergen op de achtergrond, wel gingen we geleidelijk omhoog, zodat we toen we uitstapten op het station van Nikko verrast werden door de felle kou. Daar hadden we helemaal niet op gerekend, we hadden wel winterjassen aan maar dat we shawls, handschoenen en bontmutsen nodig zouden hebben was niet in ons hoofd opgekomen.

Om warm te blijven probeerden we zo hard mogelijk te lopen, het rode bruggetje over naar het Toshogu tempelcomplex, langs de pagode en onder de houten torii door, het grind knersend onder onze en die van de andere bezoekers' schoenen, wat een oorverdovend lawaai gaf. Prachtige eeuwenoude cipressen torenden hoog boven ons uit en flankeerden het pad . Om de tempels te bezichtigen moet je vele trappen omhoog klimmen, maar als je eenmaal boven bent, vergeet je de inspanningen gauw. Prachtig gekleurd houtwerk schittert je overal tegemoet; in het oog springt het beeldhouwwerk van de drie aapjes, die niets horen, niets zien en zwijgen.

Behalve de tempels, staat er nog een ander beroemd monument, nl. het mausoleum van de eerste Shogun ( vertaald: 'generaal die de barbaren (( de Europeanen)) verslaat'), Iyeasu Tokugawa, die in 1616 stierf. De Tokugawa-clan zou Japan daarna nog 250 jaar lang regeren.

Ik zat een tijdje in de hoofdtempel op de grond en genoot van de leegte binnen, alleen maar tatamimatten en een reusachtige lampion, kijkend naar de prachtige natuur buiten. Ik benijdde de Boeddhistische monniken, die hier hebben gezeten om te mediteren op een onoplosbare 'Zen'-vraag. Helaas kon ik daar niet lang blijven zitten, want we hadden maar beperkt de tijd voordat de trein weer terug naar Tokyo zou vertrekken . We verlangden naar wat warmte, een kop koffie en een hapje eten en we verlieten de tempels op zoek naar een horeca-gelegenheid. Na lang zoeken vonden we een herberg. Eenmaal binnen was er echter een groot probleem, de eigenaar sprak alleen Japans en onze wederzijdse gebarentaal was ook al niet dezelfde. Dat gaf veel hilariteit. Het eten bestellen was niet zo moeilijk, want in de etalage stonden alle beschikbare schotels in plastic nagebootst, dus hoefden we slechts aan te wijzen wat we wilden bestellen. Zo kregen we eten maar ze vergaten van de zenuwen stokjes of ander eetgerei erbij te geven en onze eetgebaren werden niet begrepen. Was het de bedoeling om de noedels met onze vingers naar binnen te werken ? Ik stond teneinde raad maar op, ik was tenslotte de reisgids, om op zoek te gaan naar iets wat op stokjes leek. In een hoekje zag ik ze inderdaad op de toonbank liggen, dus met mijn allerliefste glimlach en buiging bleef ik er voor staan en wees er naar. Veel gebuig terug en inderdaad daar kregen we het. Ik moest al een tijdje nodig naar het toilet, dus vroeg ik naar een plaats, die iedereen wel begrijpt, dacht ik . Ze lieten me wel in een klein kamertje maar er was geen toilet, wastafel of waterkraan te bekennen. Er ging echter wel een deur naar buiten. De nood was hoog dus heb ik maar een bosje opgezocht en daar met gêne mijn behoefte gedaan. Dan maar geen handen wassen, ik zou het wel overleven. De anderen zagen, na mijn verhaal, maar af van een gang naar het kamertje, op het station was vast wel een gat in de grond met twee voetsteunen ernaast, zoals de toiletten er in Japan gewoonlijk uitzien.

Het Nationale Park bevat behalve het tempelcomplex ook nog prachtige natuur, zoals het Chuzenji Meer en meerdere watervallen, maar onze beschikbare tijd liet het niet toe die te gaan bezichtigen. (Deze tocht kan beter in het voor- of najaar worden gemaakt met een overnachting, natuurlijk in een lokale herberg oftewel een 'ryokan' waar je kamertje uit een paar tatamimatten bestaat en je op de grond moet slapen in een zgn. 'futon'.)
De treinreis terug verliep zonder problemen, behalve dat mijn medereizigers een beetje last kregen van het tijdsverschil en de een na de andere in slaap viel, maar dat viel niet op tusen al die Japanners want die reizen sowieso per voorkeur met hun ogen dicht. Ik denk, dat ze dat doen om de andere miljoenen stadgenoten uit hun gedachten te wissen.
Al met al was ik blij, dat ik deze trip gemaakt had. Weer een ervaring, die ik in mijn boekje bijschrijven.

dinsdag 26 februari 2008

Dr. Zhivago in Tokyo




















Op de routes van en naar Tokyo hadden we Japanse stewardessen aan boord om de Japanse passagiers te woord te staan, want die spraken vaak geen andere taal dan Japans.
Na het bezoek aan Noriko en haar nare verloofde ( die me de volgende dag uitnodigde om met hem uit te gaan. Toen ik vroeg of Noriko ook meeging zei hij "nee", dus dat was een mooi excuus geweest om hem af te poeieren) had Hiroko me aangeboden met haar de echte Japanse thee te gaan drinken, niet de gele variant die wij aan boord hadden. Deze thee zag eruit als eendenkroos en was enorm bitter. Gelukkig werden er koekjes bij geserveerd dus dacht ik slim te zijn en er gauw één in mijn mond te stoppen om de bittere smaak te compenseren, maar wat bleek ? Het was een zeewierzoutje ! Brrr.. Uiterlijk hield ik me goed en glimlachte beleefd naar mijn Japanse gastvrouw, die beleefd terug boog.
Dat was wel genoeg Japans op één dag, dus gingen we als afsluiting naar een film die grote bezoekers in de hele wereld had getrokken na het winnen van tien Oscars en drie 'BAFTA's: 'Dr. Zhivago' uit 1965, helaas nagesynchroniseerd in het Japans. Gelukkig kende ik het verhaal al want ik had het boek van Boris Pasternak gelezen, dus kon ik de handelingen op het witte doek aardig volgen. Ik vond die Omar Sharif helemaal niet lijken op een Rus en acteren kon hij al helemaal niet. Broeierig kijken bleek zijn forte te zijn! Het verhaal is eigenlijk heel simpel. Russische revolutie, Moskou, getrouwde man, getrouwde vrouw ( maar niet met elkaar) worden getroffen door een 'coup de foudre' maar het is onmogelijk om elkaar ergens te ontmoeten. Dan komen ze per toeval samen, in the middle of nowhere, ergens op de afgelegen steppen van Siberië terecht. Liefdesscenes werden symbolisch weergegeven door de wind, die 's zomers de graanhalmen zachtjes heen en weer wiegde en 's winters de sneeuw tot metershoge bergen opwierp. En zo drieënhalf uur door. Na twee uur merkte ik op dat de zaal leeg begon te lopen, de ene na de andere Japanner verliet het pand. Eigenlijk begon het mij ook wel te vervelen en zijn ook wij maar opgestapt. Zodoende duurde het nog jaren voordat ik de laatste scene van de film te zien zou krijgen. Die, waarin hij in Moskou op straat loopt en in een voorbijrijdende tram 'haar' meent te ontwaren. Het grijpt hem zo aan dat hij in elkaar zakt en na een laatste broeierige blik aan een hartaanval sterft. Exit Omar Sharif.

Eenmaal weer terug in het hotel, prees ik me zelf gelukkig dat ik niet verbannen was naar Siberië, maar het volgende weekend gewoon weer lekker in Bangkok aan het zwembad zou zitten, zonder sneeuwstormen en zonder Omar Sharif....Heerlijk !

zondag 24 februari 2008

De verloofde van Noriko
























"Hé, wat leuk, dat ik jou weer zie" . Sommige mensen zag je nooit en tegen anderen liep je regelmatig, ergens ter wereld op.
"Weet je nog hoe we dansten op 'My Way' in Jimmy's Bar in NY en hoe we toen weggestuurd werden ?" Het was A2, die uit Anchorage in Tokyo was aangekomen en me op mijn hotelkamer in het Tokyo Prince Hotel opbelde om te vragen of ik zin had iets samen te gaan ondernemen. Natuurlijk wel. Ik was al genoeg alleen en bovendien vond ik hem aardig.
We bezochten de chrysantententoonstelling in het Meiji Park. Daar stonden niet van die kleine chrysantjes die je overal ter wereld in tuintjes kunt zien staan. Welnee, daar zagen we bloemen, zo groot als bloemkolen, die zwaar gestut moesten worden anders zouden de stelen omknakken door het gewicht van de bloemen.
Tijdens zijn vlucht van Anchorage naar Tokyo was A2 door Noriko, de meest seniore Japanse stewardess die in die tijd bij de KLM vloog, uitgenodigd om bij haar en haar Japanse verloofde op bezoek te komen zodat hij met eigen ogen kon zien hoe een traditioneel Japans huis er uit zag. Hij had aan haar gevraagd of ik ook mee mocht komen en dat had ze goed gevonden.
De verloofde kwam ons met zijn Toyota ophalen en we reden over de Tokyose 'highways' naar een buitenwijk waar zijn houten huis stond.
Eenmaal aangekomen bewonderden we het kleine perfecte tuintje voor de ingang. Ons werd verzocht onze schoenen uit te doen en slippers aan te trekken die al klaar stonden, want de tatamimatten mochten niet bezoedeld worden door schoenen . Het vertrek binnen vormde een zit- en slaapkamer tegelijk. Er stonden geen stoelen en tafels want je zat op de grond met een laag tafeltje tussen je in. Voor ons westerlingen is dat heel moeilijk, want op je knieën zitten voor een langere tijd staat gelijk aan marteling. Bovendien is het niet toegestaan met je voeten naar een andere persoon te wijzen, dat is héél onbeleefd, dus schuifel je maar wat van je ene bil op de andere om toch maar het decorum te bewaren.
We praatten wat over de cultuurverschillen tussen de Westerse en de Oosters wereld. De verloofde van Noriko werd, misschien onder invloed van de 'Suntory' whisky die rijkelijk vloeide, plotseling erg fel. Hij vond, dat Japan terug moest gaan naar de oude Samurai-traditie die uniek was voor de Japanse cultuur. De Amerikanen hadden, na WO II, veel teveel invloed gekregen op de Japanse manier van leven en die trend moest teruggedraaid worden. Dat ze dreigden hun unieke cultuur te verliezen kon hij bewijzen aan de hand van het feit dat Noriko niet eens meer de traditionele 'tea-ceremony' wist uit te voeren en dat ze stewardess was geworden voor een westerse airline, wat zo ongeveer te vergelijken was met het beroep van prostituee.
We begrepen dat we hier te maken hadden met een hele conservatieve Japanner die terug wilde keren naar de gloriedagen van het oude keizerlijke Japan. (De schrijver Yukio Mishima zou nog geen jaar later om dezelfde redenen, op traditionele wijze zelfmoord (( Seppuku of Harakiri)) plegen om deze zelfde overtuiging kracht bij te zetten.)
Als argument om hem de hopeloosheid van zijn streven onder ogen te laten zien wezen we hem op de trends die in de hele wereld gaande waren ( die later met de term 'globalisering' zou worden aangeduid) en die onomkeerbaar waren.
Nadat de verloofde ons aan het eind van de avond weer had afgezet bij het hotel, bespraken we ons ongemakkelijke gevoel. We vonden het jammer voor Noriko dat ze te maken had met een verloofde die het beroep van stewardess gelijk stelde aan dat van een 'prostituee', maar er was niet veel wat we eraan konden doen, behalve hopen, dat ze in de toekomst een andere, modernere man zou ontmoeten en de huidige verloofde de bons zou geven.

donderdag 21 februari 2008

O Ra N Tsu Shu I Su




















Het was prachtig weer in Tokyo. Iedere dag hadden we stralende zonneschijn al ging de temperatuur wel gestadig omlaag. De bomen en struiken in de parken tooiden zich in de mooist denkbare herfsttinten en ik genoot van mijn verblijf in Tokyo.

Helaas was het gevolg van iedere week een steeds groter temperatuurverschil tussen Tokyo en Bangkok dat ik op een goede dag zo verkouden was geworden dat mij, door de behandelende arts, verboden werd naar Bangkok te vliegen. Ik kreeg ( volgens mij een volkomen onnodige) antibioticakuur voorgeschreven en hoewel ik niet mocht vliegen kon ik wel uitstapjes gaan maken met de crew die in Bangkok gestationeerd stond en nu het weekend in Tokyo vertoefde.

Onder de bezielende leiding van gezagvoerder Luc De Ruyter van Steveninck begaven we ons op ongebaande wegen. We stapten de trein in om naar het Japanse 'Giethoorn' te rijden teneinde daar een beetje rondgepunterd te worden door een tandeloos vrouwtje in klederdracht. Jammer dat het een beetje miezerde; voor het eerst in de lange tijd dat ik in Japan vertoefde.
De volgende dag werd het nog avontuurlijker want toen zijn we op een willekeurige trein gestapt die ons naar een provinciestadje ergens hoog in de bergen bracht, waarvan we de naam niet konden lezen, omdat de bordjes op alle stations, nadat we Tokyo achter ons hadden gelaten nog uitsluitend in Chinese karakters gecombineerd met lettertekens uit het Hiragana en Kanakana, beschreven waren. Geen nood, onze leider had een woordenboek bij zich, waarin hij de onleesbare lettertjes voor ons kon omtoveren in begrijpbare Japanse klinkers. Helaas stopte de trein steeds te kort om hem de gelegenheid te geven de vertaling te voltooien.























We stapten op een willekeurig stationnetje uit en gingen een bar binnen. Jongens, wat willen jullie drinken? De drankenkaart stond voor onze neus, maar weer met van die onontcijferbare tekentjes erop. De Ruyter zou het wel even voor ons vertalen. Na vijf minuten had hij het eerste item op de kaart ontleed : O Ra N Tsu Shu I Su. Wat ? Als je het heel snel uitsprak snapte je het : orange juice. Nou dat leek ons wel lekker en kohi verstonden ze waarschijnlijk ook nog wel. Hai!
Een wandeltochtje door het schilderachtige gebied zou ons goed doen, dus wandelden we van het ene station naar het volgende en genoten van de landelijke rust en de aanblik van de rustieke en authentieke huisjes waar we langs kwamen. Een kakiboom vol vruchten en een paar giechelende schoolmeisjes vormden dankbare objecten om te fotograferen.

Helaas moest de avontuurlijk club de volgende morgen vroeg alweer terug naar Bangkok en zou ik ze niet meer zien. Maar ik had het wel fijn gevonden om, tenminste voor een paar dagen, samen met een gezellige crew op stap te zijn geweest.


zaterdag 16 februari 2008

Ohayo gozaimasu

Helemaal alleen in Tokyo, dat was ik, aan het einde van de herfst, begin van de winter, na anderhalf jaar vliegen.

Dat kwam zo. De KLM vloog met twee verschillende types DC8 : de korte over de pool via Anchorage, en een verlengde via Bangkok, naar Tokyo. Op het stukje Tokyo - Bangkok via Manila en vice versa had men één extra stewardess nodig en die bleef in haar eentje drie maanden in Tokyo gestationeerd. Zo kwam het, dat ik begin november voor de allereerste keer in Tokyo aankwam, heg noch steg kennende. Ik had me goed voorbereid door zoveel mogelijk over het land, de geschiedenis, de cultuur, religie, zeden en gewoonten, het landschap etc. te lezen, maar in werkelijkheid blijk je daar bitter weinig aan te hebben, want niemand sprak toen Engels, behalve dan de KLM stationmanager, Mr. Nakamura en zijn secretaresse en één receptionist van het Tokyo Prince Hotel, waar ik een kamer(tje) had op de 21e verdieping met uitzicht op de Tokyo Tower, een replica van de Eiffeltoren in Parijs.

De eerste drie weken waren dan ook het moeilijkste, daarna had ik geleerd om aan de reacties van de Japanners af te lezen of ze me begrepen of niet. Als ze heel ijverig gingen zoeken naar iets, dan wist ik dat ze mijn vraag niet begrepen hadden. Het was nl. niet beleefd om "nee "te zeggen, of "ik begrijp u niet". Zo kwam het bv. voor, dat ik 20 minuten aan de telefoon wachtte, omdat de telefoniste, die me moest doorverbinden, me niet verstaan had. Dan zei ik maar: "arigato gozaimasu" en belde de receptionist, die dan het nummer wat ik wilde bellen, voor haar vertaalde. Gelukkig waren inmiddels de straatnaambordjes en de stationnamen in Tokyo (daarbuiten niet) ondertiteld in de westerse taal zodat ik met een plattegrond en door goed op te letten, me kon verplaatsen. Voordat ik het echter wist, had ik hun manier van bewegen overgenomen en boog met ze mee en als ik moest lachen deed ik een hand voor mijn mond, zoals Japanse vrouwen dat doen en riep vrolijk "hai" i.p.v. "ja" terwijl ik boog.

Vooral het buigen is een hachelijke zaak want er is standsverschil en je moet precies je positie weten in de hiërarchie. De laagste moet het laatste en het diepste buigen. Zo keek ik vaak naar recepties in het hotel, waar mensen bij het afscheid tegenover elkaar stonden en bij het buigen stiekem keken hoe diep de ander boog. Het kon soms wel een tijdje duren voordat het ritueel beëindigd was, omdat ze kennelijk niet konden besluiten wie van de twee de laatste moest zijn.

Overal stonden vrouwen diep te buigen: als je een warenhuis binnenliep stonden ze bij de ingang en wensten je welkom en nog een fijne dag. Ze stonden bij de roltrap, bogen en maakten de band, waar je hand op lag, met een doekje voor je schoon. Bij de ingang van de vele restaurants, coffeeshops, winkeltjes, overal om je heen werd er gebogen en een vriendelijk boodschap gekwetterd.


Iets anders waar ik ook vreselijk aan moest wennen was het eten. Tegenwoordig eet iedereen sashimi en sushi, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, maar toen was het voor de westerling nog onbekend voedsel. Restaurants waar westers werd gekookt, waren er nauwelijks. Eén Duits restaurant, waar je Sauerkraut mit Eisbein kon eten en één Frans restaurant, waar je biefstuk van 75 gr. kon eten met een salade, patates frites en een glas rode wijn, voor een ongehoorde prijs, dat wel. Na een paar weken begon ik vreselijk te verlangen naar een stevige Nederlandse maaltijd.

Op mijn kamer had ik televisie, maar alle zenders waren in het Japans. Wel goed om de aard van de Japanners te leren begrijpen. Ze zonden ook 'soaps' uit, die zich vaak afspeelden in die kleine houten huisjes met tatamimatten en shoji ( schuifdeuren). Iedereen zat op de grond en schuifelde op zijn knieën rond. De emoties liepen vaak hoog op en het leek me allemaal nogal melodramatisch, wat er zich daar afspeelde. Sindsdien ben ik ook van mening, dat de Japanners de 'Italianen' zijn van het Verre Oosten. Het viel me op, dat de vrouwen allemaal met hoge, kleine stemmetjes praatten en de mannen met een lage, barse stem. Later hoorde ik ook, dat de gesproken mannen- en vrouwentaal geheel verschillend van elkaar zijn.
Ik had één favoriet programma. Op vrijdagavond draaide er een samurai-serie met een hele knappe Japanner in de hoofdrol. Over het algemeen vond ik de Japanse mannen, die ik om me heen zag, weinig aantrekkelijk, maar deze was een snoepje. Zonder de taal te begrijpen begreep ik wel waar het over ging. Hij was een held, die opkwam voor de armen en verdrukten en vocht tegen de wrede krijgsheren. Er kwamen veel stok- en zwaardgevechten in voor, die hij natuurlijk allemaal glansrijk won. Zijn beloning kwam in de vorm van aanbiddende geisha's. De sumo-wedstrijden, die daarna werden uitgezonden waren ook fascinerend om te zien. Al die vetgemeste jongemannen met hun dikke billen, die met hun hele gewicht tegen elkaar opbotsten, na wat zout en rijst te hebben gestrooid. De zwaarste won meestal, door de andere bij zijn lendedoek te grijpen en hem buiten de ring te smijten. De scheidsrechter in zijn mooie kimono kraaide wat uit en dan was de volgende aan de beurt. Het talrijke publiek vond het prachtig.
Met de radio had ik geluk, want vanwege de Amerikaanse krijgsmacht, die gebaseerd is op het eiland Okinawa, was er een Amerikaanse zender, die het Japanse-, Amerikaanse- en wereldnieuws uitzond en eigenlijk de hele dag Amerikaanse popmuziek. De no. 1 tophit was toen: Dionne Warwick's Burt Bacharach song: I 'll never fall in love again.

Ik genoot van mijn vreemde standplaats en iedere week het weekend in Bangkok, maar er was één ding waar ik geen rekening mee had gehouden, nl. het gebrek aan een seksleven. Ik was ervan uit gegaan, dat het wel uit te houden zou zijn om drie maanden lang zonder man te leven, maar ik begon na een paar weken mannen aantrekkelijk te vinden die ik anders geen blik waardig zou hebben gekeurd. O,o,o, dat was een zorgelijke ontwikkeling. Héél zorgelijk! Als dat maar goedging....





dinsdag 12 februari 2008

Kippetjes scheuren in Lissabon




















Zoals Athene en Beirut een springplank vormden naar het Verre Oosten zo was Lissabon dat voor Zuid-Amerika, samen met Madrid.

Lissabon was een grote favoriet bij de bemanningen. Een mooie stad , die echter in de tijd waarover ik schrijf erg arm was, wat je vooral kon zien aan de slechte staat van de gebouwen, de alomtegenwoordige kinderarbeid en de vele schoenpoetsers. Portugal zuchtte nog onder de dictatuur van Salazar, die zelf wel een prachtig optrekje bezat in Cascais.

Na aankomst in het hotel werd afgesproken elkaar te ontmoeten op het terras van Pastelaria Suiça op het Rossio Plein. Behalve koffie en 'cha com bolos '( thee met gebak) kon je er lekker eten en wat voor de bemanning belangrijk was: bier en wijn drinken. Voor onze neus kwam heel Lissabon voorbij en keken we uit op, de tegenover het plein hoger gelegen wijk, Alfama. 's Morgens, 's middags ,'s avonds of 's nachts, altijd kon je wel KLM-ers op dat terras vinden.

Zo tegen dinertijd ging het in ganzenpas naar een ginjinería vlakbij, eigenlijk niet meer dan een nis in een muur waar, op een toonbank, stopflessen stonden, die gevuld waren met kersen op brandewijn. Een glaasje 'ginja' kostte maar een paar centen. De keuze was 'com o sem frutas' ( met of zonder vruchten) maar we namen meestal 'com', zodat we daarna een wedstrijdje konden houden, wie de pit het verste weg kon spugen. Lokale mensen. die voorbij kwamen moesten vaak verschrikt opzij springen . Grote pret natuurlijk, maar het spul was behoorlijk sterk en om meer dan één glaasje te drinken was dan ook niet aan te raden, daar kan ik uit eigen ervaring over meepraten.... Helaas was de ginja zo goedkoop, dat er altijd wel iemand was, die op nòg een rondje trakteerde. Om de hoek van het plein ging de bemanning daarna veelal naar Churrasco om 'kippetjes te scheuren'. Je kon daar namelijk net zoveel kip eten als je opkon. De favoriet was 'frango piripiri', kip met hete chilisaus. Daarna liepen we over de Avenida da Liberdade terug naar onze hotels op de Praça Pombal, niet zelden opgehouden op één van de vele terrasjes om nog een 'afzakkertje' te nemen. Op onze weg lag de sociëteit van de voetbalclub Benfica, waar we vaak uitgenodigd werden om binnen te treden om de prachtige trofeeën te bewonderen in hun schatkamer; uit louter vriendelijkheid kregen we dan natuurlijk een drankje aangeboden om te drinken op het succes van deze illustere voetbalclub. Het was dus helemaal niet moeilijk om aangeschoten te raken met alle risico's vandien !

Omdat we er vaak een paar dagen overstonden waren er vele mogelijkheden om de tijd prettig door te brengen, maar daar zal ik een andere keer over schrijven.

Posted by Picasa

maandag 28 januari 2008

Bangkok
























Van Karachi vlogen we overdag, via New Delhi, naar Bangkok, waar we 's avonds aankwamen. Wat een groot verschil met Karachi, de mensen zagen er schoon en verzorgd uit en glimlachten vriendelijk. Er hoefde niemand omgekocht te worden en de bus naar ons hotel stond al klaar. Omdat het donker was kon ik het landschap, waar we doorheen reden, niet zien, wel bleek het verkeer rommelig en druk te zijn. Het hotel heette Plaswijck en de volgende morgen zou ik zien waarom. Het bestond uit een oud hoofdgebouw en een aantal houten barakken, waar onze kamers in gesitueerd waren. We werden verwelkomd met vers geperst mandarijnensap en de koffers waren al op weg naar onze kamers. Ook dit hotel was uitsluitend voor de KLM-bemanning bestemd. Geld had je er niet nodig, behalve voor wat fooien en als je een biertje wilde bestellen.Tegenover het hoofdgebouw aan de andere kant van het zwembad en de tennisbaan, lag de bar, die door de crew liefkozend tot 'het praathuis' was omgedoopt. Daar had altijd wel iemand dienst om de dorstige en hongerige crewleden van drank en eten te voorzien.

























Het eten was voortreffelijk en je kon buiten etensuren altijd een steaksandwich met uien en/of champignons, of saté bestellen met komkommer- en hetepepertjessalade. De avondlucht rook zwaar naar tropische bloemen ( later zag ik dat het de plumeriabloesem betrof) en gonsde van de cicaden.
In het praathuis zaten de verschillende bemanningen aan de bar of waren aan het biljarten, kaarten of tafelvoetballen. Maar naarmate de avond vorderde en er meer drank in de man was werd de stemming anders. Sommigen hadden misschien een beetje te veel op en begonnen avances te maken of slappe verhalen of schuine moppen te vertellen.
Het was me al wel opgevallen, dat er sprake was van paarvorming in de bemanningen. Veel stelletjes ( legaal of niet) vlogen samen en degenen, die alleen waren zochten iemand onder de anderen van de moeite waard. Zo had ik ongewoon veel aanspraak, maar het werd me door de jaren heen wel duidelijk dat het niets bijzonders was; alle meisjes kregen wel belangstelling van iemand van het andere geslacht. In Bangkok hadden de mannen echter nog een alternatief, ze konden nl. naar het 'badhuis' gaan. Van die mogelijkheid werd dan ook ruimschoots gebruik gemaakt en daar werd helemaal niet geheimzinnig over gedaan.
Die eerste avond kreeg ik onderricht in het tafelvoetbal van iemand uit een andere bemanning. Samen versloegen we ieder ander paar. Niet omdat ik er iets van kon, maar hij was er heel goed in. Daarna praatten we nog wat en omdat ik het zonde vond om in mijn eerste tropennacht binnen in een rokerige ruimte rond te hangen stelde hij voor naar buiten te gaan. Aan de rand van het zwembad vonden we ligstoelen en een tafeltje. Hij dronk Schotse whisky met ijs en hoewel ik dat nog nooit gedronken had, nam ik ook een glas. Ons gesprek was heel geanimeerd en ik genoot van de prachtige nacht, tot... op een gegeven moment de hemel aan de horizon licht begon te kleuren en de eerste vogels begonnen te kwetteren. Oh nee... ik constateerde, dat ik op de rand van dronkenschap was en wilde zo snel mogelijk naar mijn kamer. Heel galant bracht mijn gesprekspartner me daar naar toe en we spraken af elkaar later, bij het zwembad, te treffen. Toen ik wakker werd had ik hoofdpijn, dus draaide me nog maar een paar keer om. 's Middags ging het gelukkig weer een beetje beter en was ik in staat om naar het zwembad te gaan en wat fruit te eten. Het was heet en alle bedden aan het zwembad waren bezet door zonnende crewleden. Mijn gesprekspartner van de vorige avond maakte een bed voor me vrij en zette een parasol op. In het zwembad(je) trok hij me door het water, zodat ik me niet in hoefde te spannen. Ik zag nu ook dat we omringd waren door plassen,' klongs 'genaamd en begreep hoe de naam Plaswijck was ontstaan.
Hij moest die avond vliegen en we zouden elkaar op die reis niet meer tegenkomen.

De volgende dag nam ik de crewbus naar de stad, waar ik rondgeleid werd door mijn collega's. We werden afgezet op New Road, tegenover het postkantoor. Ze lieten me zien waar je kleding op maat kon laten maken ( de bemanningen hadden vaste adressen), zijde kon kopen en
antiek of juwelen . Voor een kopje koffie liepen we naar het Oriental Hotel, één van de beroemdste hotels ter wereld. Op het terras keek ik met belangstelling naar het verkeer op de Chao Phrya Rivier ; snelle watertaxi's scheerden voorbij afgewisseld door jonken met roodgekleurde zeilen, punterende vrouwtjes en lange vrachtschuiten, die aan elkaar gekoppeld waren. De tuin van het hotel stond vol met orchideeën in allerlei prachtige kleuren. Voortaan zou een bezoek aan dit terras een vast ritueel worden, iedere keer als ik in Bangkok verbleef.

Al met al vond ik mijn eerste Verre Oosten reis zeer geslaagd en Bangkok zou altijd mijn favoriete bestemming blijven, ook al veranderde de stad in een razendsnel tempo van een traditionele Oosterse stad naar een moderne metropolis.























Posted by Picasa

Krabbetjes vangen in Karachi



















Eindelijk was het dan zover, na 15 maanden Europa en Amerika te hebben gevlogen, mocht ik naar het Verre Oosten, met een paar dagen overstaan in Athene, Karachi en Bangkok. wat een feest! Op Schiphol werd ik door de bemanning gelijk geïnstrueerd wat betreft ons drankgebruik. Iedereen bestelde een fles bij de taxfree-winkel en ik moest gin kopen, want dat hadden ze nog niet in de voorraad, OK. Ik dronk toen weliswaar geen gin, maar ik hoopte, dat er voor mij iets bij zou zitten, wat ik wèl lustte. 

In Athene zaten we in een hotel,"Kings Palace" genaamd, vlak om de hoek van het Syntagmaplein en daar werd na aankomst afgesproken om op één van de vele terrassen een drankje te gaan drinken. De meeste bemanningsleden vond ik er met een glas vol troebel, melkachtig uitziend, water voor hun neus, wat ouzo met ijs bleek te zijn. Dat moest ik beslist ook drinken anders was ik niet in Griekenland geweest, zeiden ze. Nou, het leek een beetje op dropwater, eigenlijk helemaal niet zo vies als het er uitzag, maar een sterk goedje was het wel. Gelukkig hadden ze snel honger en liepen we naar de Plaka, de oude uitgaansbuurt, die schilderachtig tegen de helling van de Akropolis ligt. Ik vond het prachtig ; hier had ik altijd van gedroomd , vakantie terwijl je aan het werk bent. In één van de vele tentjes aten we de gebruikelijke Griekse salades, tsatsiki , dolmades, gyros etc. ,voedsel dat iedereen nu wel kent, maar toen nog vrijwel onbekend was. We dronken er retsina, de harswijn bij, en al moest ik er erg aan wennen, sinds die tijd bestel ik die altijd bij mijn Griekse eten, het hoort er gewoon bij .. een kilo retsina.
Na een paar dagen tochtjes maken (natuurlijk als eerste het Parthenon bezichtigd), ging het 's nachts op weg naar Karachi, met een tussenlanding op Kuwait Airport.
Op het vliegveld van Karachi keek ik mijn ogen uit. Wat een armoede heerste daar, je kon het niet alleen bij wijze van spreken, maar ook letterlijk, ruiken. Na de douane te hebben omgekocht met whisky (het is ten strengste verboden sterke drank in te voeren) mochten we door. Voor de uitgang stonden vele mensen in lompen te bedelen, maar de bemanning had een favoriet: Ali met zijn ene been, die snoepjes uitdeelde. Hij kreeg altijd balpennen, speelgoedjes etc, die we anders aan boord weggaven aan de passagiers, en soms een paar dollar.
We verbleven daar in het Midway Hotel, een hotel uitsluitend voor KLM bemanningsleden en soms voor een enkele, gestrande, passagier . Van het vliegveld vandaan was het 5 minuten lopen.
De kamers lagen aan galerijen in een vierkant met in het midden een grasveld. Op iedere gang had een 'bearer' 24 uur dienst. Hem kon je altijd roepen als je iets nodig had, je ontbijt, sandwiches of een kopje thee. Degene, die je badkamer schoonmaakte was de 'sweeper' , die was duidelijk van een lagere kaste.
Moe, na een nacht vliegen, viel ik als een blok in slaap en toen ik wakker werd, wist ik even niet waar ik was. Ik hoorde buiten 'kra kra kra' , wat ik in latere jaren onmiddellijk zou associëren met Pakistan, India en Sri Lanka. Grote zwarte kraaien, die in zwermen boven het hotel vlogen. Ze deden me soms wel een beetje denken aan de film "The birds" van Alfred Hitchcock.
Op de galerij zaten al wat bemanningsleden te ontbijten en de bearer had het er maar druk mee, af en aan als hij moest lopen voor wéér een wakker geworden bemanningslid, maar een paar roepies maakten veel goed. Bij de crewborrel , later, werd de afspraak gemaakt om de volgende morgen krabbetjes te gaan vangen, dus werden er taxi's besteld die ons naar de haven van Karachi zouden brengen.
Op de weg daar naar toe zagen we veel wildversierde busjes en vrachtwagens rijden en het verkeer mag gerust chaotisch worden genoemd ; ongelofelijk, dat we heelhuids in de smerige haven aankwamen. Daar lagen aan de kade wat primitieve zeilbootjes. De KLM-ers hadden hun 'eigen' boot, die van kapitein Ali en die stond iedere dag trouw klaar met zijn jonge maatjes om ons naar Sands Pit te varen, met een tussenstop in een eveneens smerig dorpje, waar vissenkoppen werden opgehaald, die door de jongens aan een vliegertouwtje werden bevestigd. Eenmaal uit de haven kregen we toestemming om ons om te kleden, of eigenlijk uit te kleden, zodat we konden zonnen. Onze zeilboot was van hout en een smoezelig zeil werd gehesen . Als er een beetje wind stond moest een plank buiten boord worden gestoken waar dan iemand aan het uiteinde op moest gaan zitten, anders sloeg de boot om, wat ook wel eens gebeurde.
Op onze bestemming, een strand, dat midden in de zee uitstak, gingen we voor anker en kregen we allemaal een vliegerklosje, waar aan het uiteinde van het touw een vissenkop vastgebonden zat, die we dan overboord op de bodem lieten zakken. Over de techniek en zo, hoe je het beste een krab kon overhalen jouw visje te eten deden vele verhalen de ronde, maar gewoon niets doen was waarschijnlijk het beste.
Als we beet hadden moesten we roepen, dan werd de krab deskundig in een netje uit het water gevist en wat de mannen daarna met het beestje deden wilden we eigenlijk liever niet weten. Toen er genoeg krab was voor een maaltijd stookten Ali en zijn piraten een vuurtje in het vooronder en dan kregen we krabkoekjes,krabbenpootjes, krabsoep en wat je nog meer met krab kunt combineren, opgediend. Een flesje meegesmokkelde witte wijn erbij en het was een galadiner.
Wij spraken dan ook vele malen onze dank uit, vooral aan onze president-directeur, die deze dag voor ons mogelijk had gemaakt.
Na het eten was er gelegenheid tot een wandeling op het strand, op eigen benen of op die van een kameel en daarna ging het weer hotelwaarts, waar we bruinverbrand en tevreden terugkeken op een geslaagde dag.
Voor het 'shoppen' staken we de weg over naar het 'BOAC-Hotel (waar de bemanningsleden van de Britse luchtvaartmaatschappij logeerden),omdat daar wat winkeltjes waren. Ik ging echter met de BWK mee, want die wilde een tapijt kopen en daarvoor liet hij zich door een taxi naar een 'tapijtfabriek' rijden. De tapijten waren prachtig en we konden met eigen ogen de kleine vingertjes van de kinderen zien, die daar in het halfdonker urenlang op hun hurken aan het knopen waren. Het was een dilemma, zou het boycotten van het kopen van tapijten, die door kinderarbeid worden geproduceerd, de kinderen aan een beter bestaan helpen? Een vraag, die tot op de dag van vandaag nog steeds aktueel is. De BWK kocht er een, voor hem ging het om het hebben, niet over hoe het gemaakt was.
's Morgens wekte de bearer me met een kopje thee "calling-time, memsahib" : het was tijd om naar Bangkok te vliegen.
Posted by Picasa